elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ruizen

ruizen , roeschen , stoeien; zie: roeschen
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
ruizen , roeschen , ’t geluid van een varken dat beers is. (Zie: beers). In Gron. zegt men dat moedervarkens van de roes of roeze worden gesneden = gecastreerd worden, en is: roeske, roeskepels, Neders. ruuske, ruuskenplatte een wild rondloopend, wild stoeiend meisje.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
ruizen , roezen , werkwoord , 1. zich hard voortbewegen, snel verplaatsen, voortrazen 2. in grote hoeveelheden vallen 3. ruisen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ruizen , rusen , 1. druk praten; 2. bij elkaar komen om gezellig te praten (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
ruizen , rééze , reeze, raoze, rèùze, rijze , werkwoord , uitvallen (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland; Tilburg en Midden-Brabant); raoze; ruien, van veren wisselen (Den Bosch en Meierij); rèùze; ruien, van veren wisselen (Eindhoven en Kempenland); rijze; uitvallen, dwarrelen (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal