elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rus

rus , rus , rusch , zode. Dit eerste woord is hier zoo gebruikelijk, dat men er het laatste schier niet verstaat. Bij Kiliaen is het resch en rusch. Welëer beteekende rus
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
rus , röschen , biezen.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
rus , russchen , russen, rusken , soort van bies, Juncus conglomeratus, die gebruikt wordt tot stoelmatten en lamppitten. Gron. rusken, Oostfr. rüsken, Neders. rusken, Holst. russchen, Eng. rusk, HD. Rusche, Noordfr. rusken, rosken; Kil. rusch, biense, juncus; rusch in het Friesch NHoll. ODuitsch = riet; hij beefde as ’n ruske = hij beefde als een blad, Gron. hij trilde as ’n ruske.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
rus , rusken , russchen , in geschrifte russchen; soort van biezen, Juncus conglomeratus, die gebruikt wordt tot stoelmatten. “Nuttig gebruik van stroo, russchen en biezen, tot vervaardiging van vlechtwerk.” (Beerta 1869). “Met het snijden van russchen gaat het hier tegenwoordig zeer druk.” (Stads-Kanaal 1871). “Dat ook hier (Stads-Kanaal) gelijk op vele andere plaatsen vrij wat handel in russchen wordt gedreven,” enz.(1869). Drentsch russchen, russen; Kil. rusch (Sax. Fris.) = biense = bies (Ang.) ruske; Oostfriesch rüsken, Nedersaksisch rusken, Holsteinsch russchen, Engelsch rush, Hoogduitsch Rusch. – rusch in het Friesch, Noord-Hollandsch en ook Oost-Duitsch = riet; in Noord-Brabant rischland = slecht land. Vergelijking: trillen as ’n ruske = beven als een riet; ook Oostfriesch (Prof. v. Hall geeft aan den naam: russchen, boven dien van: biezen, de voorkeur, om geene aanleiding te geven tot verwisseling met soorten van de veenbies; Neerl. Plantensch. bl. 228. v. Dale: rusch; eene familie van planten, in Nederland slechts door twee geslachten vertegenwoordigd: de bloembies en de veldbies; alsook: gewone russchen, eene der algemeenste soorten van ’t geslacht: bloembies, ook zachte biezen, steenbiezen en gemeene biezen geheeten, eigen aan vochtige, veenachtige graslanden.) Het woord zal tot riusan = ruischen moeten gebracht worden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
rus , rus , rudze , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Meestal in het meerv. russen. Rietzoden, losdrijvende stukken riet. Soms ook aangeslibd ontuig en vuilnis. || De sloot zit vol russen. We moeten die russen oproden (wegruimen). Evenzo elders in N.-Holl. (Navorscher 7, 259). Zie ook HADR. JUNIUS, Nomencl. 270b: “cespes vivus, groene soedse, een groene rus”, en KIL. “rus, cespes, gleba”. – Bij SOETEBOOM vindt men in dezelfde zin rudze. || Zijnde de oorsprong (van het onbevaarbaar worden der Zaan) de schorssingen, de rudsen ofte sooden, en de onvaarbare opgebrookene ruggen door ophevinge der gronden, SOETEBOOM, S. Arc. 215 vlg. Met ’et uit’halen der slibbe, rudsen en riet, en in ’t suiveren van de grondt, ald. 229. – Evenzo vindt men in Handv. v. Weesp 51 a: “Item niemandt Rodsen te graven, noch plaggen te weyden opter ghemeenten by drie pondt” (keur v. Muiden, a° 1442). – Hs. Kool vermeldt: “rudzig, steengrond, of losse stenen onder water”. Ook enige stukken land in het Oostzijderveld, bij het Kalf, heten de Rus. || De halve Rus (verkocht a° 1879). De rus, 162, 7 (roeden), Polderl. Oostz. I (17 de e.). Noch een van de russen, 109 (roeden), ald. – Vgl. andere stukken land die de Bod heten, op bod II. Rus zou hier echter ook kunnen betekenen bies, en de naam dus aanduiden: land waarop veel rus groeit. Rus in de zin van bies is echter in deze streek ongebruikelijk.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
rus , russchĕn , een soort biezen.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
rus , russchen , [røsxәn] , meervoud , soort biezen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
rus , rùsk , ruske , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , ruskn , bies. Holle rùsk, bies in het water groeiend
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
rus , ros , rös , m , rös , röske , graspol; graszode(n).
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
rus , russe , zoden of plaggen in het algemeen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
rus , ròs , zelfstandig naamwoord , graszode.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
rus , ros , graaszode; mv rös.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
rus , rössen , biezen (meervoudsvorm).
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
rus , rössen , biezen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
Rus , Rus , Russe , de , Ook Russe (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. Rus In de oorlog waren der Russen bie oes in de schure an het wark (Bov) 2. Russisch paard Wie hebt vrouger een Russe had. Hij kun een best stuk wark verzetten, man hij was wal slim tiepelzinnig (Bco), Russen waren even groter as een kidde (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rus , rusch , rusche, rusk, ruske, rus , de , ruschen , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook rusche (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, zuid), rusk (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), ruske (Veenkoloniën), rus (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = bies van de familie der Juncaceae De maegies mèuken een kraanse van russen (Die), Ik mot ruschen maaien um der stoulen mit te matten (Bco), Eerder dekten ze ok mit ruschen als dakbedekking (Sle), Hij bon de bonen vaast met een rusk (Row), Ik bin zo kaold as een ruske (Vtm), Hie trilde as een ruske (be:Smi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rus , rós , 1) graszode; 2) paard. verkl. ruske.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
rus , rus , riet- of buntgras.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
rus , rössen , rösse , (Kampereiland, Kamperveen) biesachtige plant in moerassig land. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: rösse
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
rus , russn , biezen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
rus , russe , zoden , Vruuger baauwde w’n hut in de maast 'n hut van russe meej wa takken 'r oover, dé was ons spulkot. Vroeger bouwden we in het bos 'n hut van zoden met wat takken erover, dat was onze speel hut.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
rus , ruske , zelfstandig naamwoord , de; bep. wilde plant: rus
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rus , rus , rietgras
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
rus , ros , zode, b.v. van gras
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
rus , rus , graszode
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
rus , rös , ros, rus , zelfstandig naamwoord , graszode (Helmond en Peelland); ros; graszode (Den Bosch en Meierij; Land van Cuijk; Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant); rus; zode (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
rus , ròs , zelfstandig naamwoord , PM graszode; bosje gras; C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - ROS m - rus, graszode; WNT RUSCH (I) - rosch, ruisen; risch, resch, zelfstandig naamwoord - l) zode, graszode; b) heizode, plag, c) rietzode, losdrijvend stuk riet; 2) kluit, aarde, aardkluit; 3) grasbosje, struikje gras; enz. Z.a. Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROS(CH), ROES(CH), RUS(CH) znw.m. - zode, graszode, afgestoken zode. Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'ros' zelfstandig naamwoord - graszode
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
rus , rus , (afkorting van) rechercheur
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.
rus , ros , rös , graszode
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal