elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ruzie

ruzie , ruzie , roezie , drukte, onaangename drukte, ook Gron. Hooft ruse, Oostfr. Neders. ruse, rusie = gedruisch, alarm.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
ruzie , roezie , ruzie , buitengewone, tevens onaangename drukte in eene huishouding, bv. bij de jaarlijksche schoonmaak, bij eene verhuizing, enz. Oostfriesch Nedersaksisch ruse, rusie = gedruisch, alarm. Vgl. roeske, en: roezig.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ruzie , rü̂̂zî , De Tîndaagse rü̂̂ = de Tiendaagsche Veldtocht.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
ruzie , rü̂zi , De Tîndaagse Rü̂zi = de Tiendaagsche Veldtocht.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
ruzie  , ruuzing , ruzie.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
ruzie , ruze , (Zuidwest-Drenthe, zuid), in in de ruze kriegen ruzie krijgen Geert hadde verkering mit Jantien, mar zij kregen het in de ruze (Hav)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ruzie , ruzie , roezie , de , ruzies , Ook roezie (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) = 1. ruzie Aj nooit ruzie had hebt, dan hej nog gien arfenis verdield (Sle), Deur kippen en kleine jongen kreej de meeste ruzie deur (Bei) 2. drukte (Zuidwest-Drenthe) Wat een ruzie, wij koomt er nooit dèur mit het wark (Dwi), Ik bin bliede daw vake kiender aover de vloere kriegt, mar het is wel een hiele ruzie (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ruzie , ruzie , rûzie , ruzie. Ook: rûzie (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
ruzie , ruuzie , ruzie.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
ruzie , ruzie , roezie , zelfstandig naamwoord , de 1. ruzie, onenigheid 2. drukte, rumoer
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ruzie , ruuzeng , zelfstandig naamwoord , ruzie (Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland; West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
ruzie , ruzing , (vrouwelijk) , ruzinge , ruzingske , ruzie , Ruzing zeuke. Slaondje ruzing höbbe.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal