elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sakkeren

sakkeren  , sakkere , hevig uitvallen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
sakkeren , sakkere , boos praten, vloeken.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
sakkeren , sakkere , werkwoord , vloeken, foeteren. Daarvan afgeleid zijn bastaardvloeken als sakkerju, sakkerjèn, sakkerdome. Sakkerdie kan ook in positieve zin gebruikt worden. Sakkerdie! Wè ist toch schoon weer! Het woord is ontleend aan het Franse sacré dieu, wat heilige God betekent.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
sakkeren , sakkere , mopperen , Aalté is'sie ôn't sakkere, de mopperkónt dé't is, niemes lûstert nog. Steeds is hij aan het mopperen, de mopperaar dat het is, niemand luistert nog.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
sakkeren , sakkere , werkwoord , sakker, sakkerde, gesakkerd , kankeren
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
sakkeren , sakkere , mopperen
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
sakkeren , sakkere , (M) mopperen, zeuren
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
sakkeren , sakkere , werkwoord , vloeken (Eindhoven en Kempenland; West-Brabant; Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
sakkeren , sakkere , sakkertj, sakkerdje, gesakkerdj , vloeken, foeteren
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
sakkeren , sakkere , zwak werkwoord , Kubke Kladder (Pierre van Beek) – Hij was zô kwaod as 't aachterste end van den duvel. Vergimme wè sakkerde-n-ie: hij was mee ginnen riek mir te voeieren! (uit: Uit 't Klokhuis van Brabant, Nwe. Tilb. Courant 1929); Piet Heerkens – Die heidenen in et bos/ wie zou d'r nie op sakkere,/ sakkere,/ die heidenen in et bos/ ze jakkeren over et mos. (uit: ‘In et bos’, in De kinkenduut, 1940); Jan Jaansen (Piet Heerkens) – Er wier gevloekt en gesakkerd en gegild en de kender begosse van louter plezier kopje te duikelen over de natte waai. (uit ‘De nuuwe dokter’, Nwe. Tilb. Courant, 1940); Frans Verbunt -  foeteren, vloeken; WBD III.3.1:273 'sakkeren' = vloeken; WNT SAKKEREN - vloeken, foeteren; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - sakkere ww - vloeken, foeteren; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SAKKEREN - vloeken
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal