elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: salie

salie , zelve , (vrouwelijk) , salie.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
salie , savie , (vrouwelijk) , salie. Zie Zilf.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
salie , zilft , salie, eene plant, van ’t latijn salvia. Zoo zegt men zilverbosch, zilverroom of saliemelk enz.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
salie , zelve ,  selve , salie, de echte Salie, Salvia officinalis, v. Hall. Neerl. Plantensch. p. 166. Gron. zelve, zelf, ook Overijs; Oostfr. Neders. Westf. selve, Kil. savie, salie, salgie, HD. salbei, salvei, OHD. salveiâ, salbeiâ.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
salie , selver , zelver , (vrouwelijk) , salie.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
salie , zelve , (vrouwelijk) , salie.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
salie , selve , (vrouwelijk) , salie.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
salie , zelve , zelf , salie, de echte Salie, Salvia officinalis; v. Hall Neerl. Plantensch. bl. 166. Drentsch, Overijselsch zelve, Oostfriesch, Nedersaksisch, Westfaalsch selve Kil. savie, salie, salgie, Hoogduitsch salbei, salvei, Oud-Hoogduitsch salveiâ, salbeiâ. Uit het Latijn salvia (= salie), van: salvus (gezond zijn) als geneeskruid. (v. Dale: selve was oudtijds de naam der Salie; vandaar het raadselachtig spreekwoordelijk gezegde: zelf is het beste kruid.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
salie , zelve , Salie. Zelvemelk. Opmerkelijk is ʼt, dat salîmelk een minder edele beteekenis heeft. Op ʼt ijs koopt men voor ʼn cent een kopje saliemelk; doch moeder kookt ʼs zondagsavonds: zelvemelk. In ʼt Mnl. komt “selve” o.a. reeds bij W. v. Hildegaersbergh voor. Ook Limb. en N.-Brab.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
salie , zelve* , bij v. Dale: “selve” was oudtijds de naam der salie, vandaar het zonderlinge spreekwoord: zelf is het beste kruid.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
salie , zelf , zie zelve * (ook de aanteekening.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
salie , zelve , Salie. Zelvemelk. Opmerkelijk is het, dat salîmelk een minder edele beteekenis heeft. Op het ijs koopt men voor een cent een kopje saliemelk; doch moeder kookt ʼs Zondagsavonds: zelvemelk. In het Mnl. komt “selve” o.a. reeds bij W. v. Hildegaersberch voor. Ook Limb. en N.-Br.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
salie , salie , de , salie Haite melk mit salie was een middel tegen griep (Zui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
salie , zelve , de , salie, Salvia officinalis Veur zelvemelk deej een bladtien zelve in kokende melk (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
salie , salvia , de , gekweekte salie, salvia De salvia’s wilt bie oes nog nich sproeten (Ros)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
salie , zelf , ook zaelf, salie.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
salie , selver , zelfstandig naamwoord , de; salie
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
salie , zelve , (zelfstandig naamwoord) , salie.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
salie , selve , selver, zelve , salie (salvia officinalis).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
salie , saovie , sèlf, zèlf, zilf , zelfstandig naamwoord , salie (tuinkruid) (West-Brabant); sèlf; salie (tuinkruid) (Den Bosch en Meierij); zèlf; salie (tuinkruid) (Land van Cuijk); zilf; salie (tuinkruid) (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
salie , saovie , zelfstandig naamwoord , salie (Salvia); Cees Robben – [Vrouw tegen dokter:] Hêêl oe lèzzen-meel en kalmoes/ saovieblad... kemille-thee/ höskes-lôôf en hoest-sjuup-sjuupkes../ Dingen... waor ie [de patiënt] niks aon hee... (19551217); WBD III.4.3:321 saovie - salie (Salvia officinalis), ook 'selvia); WBD III.2.3:130 'savie' = salie; ook 'salvia'; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SAVIE zelfstandig naamwoord m. - salie, Fr. sauge; Hft. SAVIE - salie; saviemelk - saliemelk. Kiliaen -  savie en salie. Hees savie (VIII:80)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal