elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sas

sas , sas , sis, sister , de sisser vóór op den zwerver of voetzoeker, en van vuurpijlen, stinkpotten (zie aldaar), enz., het deel waar de vuurwerken worden aangestoken, die dan met sissend geluid een vuurregen verspreiden. Drentsch sissert. (v. Dale: sisser = voetzoeker; bij Weil. een balletje van nat gemaakt kruit dat wegbrandt zonder slag te geven. Vgl. bij v. Dale ook: sas.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
sas , sas , Schik. wat was Grades in zîn sas, tu e nao de Twelse karmse moch.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
sas , sas , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , 1) Een borrel, een zoopje. Vroeger vooral van bier gezegd, thans ook van jenever. || Ik most nag maar ’en sas nemen. – Zie sassen. 2) Meestal in de samenst. pruimesas. Het uitgespogen speeksel van een tabakspruimer. || Ze gooiden me pet net in de sas. De vloer leit vol pruimesas. 3) Vloeibare vuiligheid op straat, slik enz. || Trap niet mit je nuwe schoenen in die sas. 4) In de uitdr. leut met sas, als benaming voor zeker mengsel van koffie; ook in het Bargoens wordt suiker sas genoemd (O. Volkst. 3, 197).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
sas , sas* , bij v. Dale: vuurgevend mengsel.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
sas , sas , Schik. Wat was Grades in zîn sas, tu e nao de Twelse karmse moch.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
sas , sas , in zijn sas zijn, in zijn nopjes.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
sas , sas , zelfstandig naamwoord ’t , 1. Urine, vloeibare vuiligheid. 2. Uitgespogen speeksel. Vgl. pruimesas.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
sas , sas , de , schik Ik ware aordig in mien sas mit dat kedo (Dwi), Hij hef der gien sas an geen zin in (Vri)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
sas , sas , zelfstandig naamwoord , I, in in zien sas in z’n schik, naar z’n zin
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
sas , sas , zelfstandig naamwoord , de; sassluis, waterkering bestaande uit twee deuren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
Sas , Sas , eigennaam , Strijensas; Ik kom fan Sas en ik weet van niks Ik weet nergens van
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
sas , sas , zelfstandig naamwoord , sluis (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
sas , sas , zelfstandig naamwoord , WBD III.3.1:419 'sas' = sluis
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal