elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schaar

schaar , schaar , schaar, het yzer aan de ploeg dat de aarde onderst boven keert. Veluwe, Betuwe.
Bron: Berg, A. van den en H.J. Folmer (1774-1776), ‘Veluws en Drents uit de 18e eeuw’, uitgegeven door K. Heeroma in: Driemaandelijkse bladen 12 (1960), 65-83, 97-116.
schaar , [dat wat is gesneden] , schaar , (vrouwelijk) , snede. Zie Scharen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
schaar , [dat wat is gesneden] , schaar , maaisel, snoei.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
schaar , schaar , scheer , zeker aandeel in gemeenschappelijk land of bosch. De markte van het gehucht Hyken is in een zeker aantal scheren verdeeld. Het ww. scheren zooveel als: afweiden; afbijten. Zoo zegt men o.a. in Groningen: onder scheer hollen = kaal afweiden, kaal vreten; schaar, scheer dus eigenlijk = het recht van weide voor zeker aantal vee in de gemeene weide. Bij Laurman: meenschar, mienschar, van: meen, voor: algemeen, en: schar = weide, Friesch schar, scher, schier; meenschar = eene openbare weide tot algemeen gebruik der inwoners van een dorp of vlek behoorende, elders de markt of markte genoemd. Het kenmerkend onderscheid tusschen markte en mijnscheer is zoowel gelegen in de bezitting als in den bezitter; het eerste is heideveld met eenige eigenaars, het laatste weideland, zij het dan ook lage, slechte bodem, met het geheele dorp als eigenaar. Oudfr. meenscheer, Friesch meenscher = algemeene weide; schar bij de Friezen van ouds = weide, van scheren = afscheren; Eng. share = deel, aandeel, Neders. scheren, AS. scriran = verdeelen, afscheuren, HD. bescheren, (waarvan ’t Nederl. beschoren) = toedeelen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
schaar , schére , (vrouwelijk) , schaar.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
schaar , onder scheer , zie: onderhollen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schaar , schoar , schaar, schor, schōr , steil, hoog, van een’ wal; ook van golven; de zee stait schoar = er gaat een hooge zee. (De oa helt naar: aa). Verwant met schoor, in: zich schoor = schrap zetten; Kil. schoore = steunsel, stut, enz., en: schoren = stutten, steunen, schragen, Kil. schooren, schoren, Oud-Engelsch schoren, Engelsch shore; ook voorkomende in: schoorvoeten = de voet schuin zetten, enz. Zou dus oorspronkelijk zooveel zijn als: iets wat zich als steunsel in de hoogte heft en dan schuin gezet wordt, wat hoog is en een meer of minder schuinen stand heeft. Vgl. ook: schoorwal, alsmede het Oud-Noorsch scor = rotsspleet; Oud-Noorsch sker, Zweedsch skär = rots, klip, oever, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schaar , scheer , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , zie schaar.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schaar , schaar , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Daarnaast skeer en scheer. Zie de wdbb. – 1) Het werktuig waarmede men knipt. || De skeer is stomp. – Vgl. dakschaar, hooischaar, rafelschaar en scharesliep. 2) Benaming voor verschillende werktuigen die dienen om iets vast te klemmen of vast te zetten. Bij timmerlieden is de scheer een werktuig, waarmede men latten, raamposten enz., die bewerkt moeten worden, vastzet. Het bestaat uit twee evenwijdige dikke planken aan twee latten, die er een rechte hoek mee vormen en waarlangs de ene plank heen en weer geschoven kan worden. Het stuk, dat men bewerken wil, wordt tussen beide planken vastgeklemd door de losse plank aan te schuiven en met een wig vast te zetten. – In pelmolens heeft men een ijzeren riemescheer (zie ald.), waartussen te slap geworden leren riemen worden vastgeklemd en aangehaald. – Aan een weefgetouw zijn de voor- en achterscheer zware houten latten, die voor en achter door de opstaande zijstukken voor het getouw steken en deze met elkaar verbinden. – De scheer op een binnenvaartuig is het ijzer, waarmede het scheepszwaard aan de zijwand van het schip bevestigd is. – Vgl. schaarstokken. 3) Bij het jongensspel dat scharen heet. Degeen die de anderen naloopt en met zijn saamgevouwen handen zoekt te raken. In deze zin steeds schaar; het spel zal wel van elders zijn ingevoerd.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schaar , schaar , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Daarnaast skeer. Aandeel in een gemeenschappelijke weide, de verdeling of splitsing van een mient naar gelang van het grondbezit der verschillende eigenaars, ter bepaling van het aantal koeien, dat ieder in die weide mag brengen. Thans alleen nog als historische term bekend. Iemand, die schaar heeft in een mient, mag er niet meer vee in weiden dan waarop zijn schaar recht geeft. Vgl. verder koeschaar, mienschaar, scharen II en scharing. – Evenzo elders in N.-HolI. || Als een rechter coemt met enen clagher in ene ghemene weyde, so en sal gheen man, boetscoudich worden, sonder die man die onrecht schaer hevet (landrecht voor Kennemerl., a° 1292), Oorkb. II, 375 b. Van een nuwe Schere in Waterlant. Voert alsmen scheert een gemeyne scheer in Waterlant, datter nyemant syn goet verliesen en mach, alsoe verre als hi coemt voer die ghemeyne scheer, ende syn goet scheren doet, eer si gerekent ende gekurven hebben alt lant omme: voert wanneer die meere hoep van enen dorpe, die daer waren clagende om eene gemeyne schere, die mogen si winnen mit recht ende mit vonnisse; dat hem des !ants niet weren en mach, die sullen si begeren an den Baliu, ende die Baliu in hem sculdich een dach van rechte te leggen, ende die Schepenen daer toe te verdagen, ende dien Dorpe die Schere te wisen, die die schere begeert (landrecht voor Waterland, a° 1347), VAN MIERIS 2, 736. Evenzo vindt men in het Ofri. -scheer (meenscheer). In de vorm schaar is het woord ook elders (b.v. in Gelderl.) gebruikelijk. – Vgl. Ags. (land)scearu, Eng. share, deel, aandeel, afdeling. Zie voorts KERN in Taal- en Letterb. 4, 143; BUTENRUST HETTEMA, Bijdr. t. h. Ofri. Wdb. 35.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schaar , schaorĕ , schaortien , scherf.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
schaar , scheerĕ , schaar.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
schaar , schiër , schiërke , schaar, In de schiër, duur.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
schaar , scheer , vrouwelijk , scheertien , schaar
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
schaar , skeare , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , skearn , skearkn , 1 schaar, 2 putboom
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
schaar , scheër , schiër , v , schere , schérke , schaar, scharen, schaartje.; schiër [Hap]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
schaar , skeer , zelfstandig naamwoord de , Schaar, in de zegswijze in de skeer loupe, in de val lopen, tegen de lamp lopen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schaar , skeer , zelfstandig naamwoord de , 1. Verouderde vorm van schare, menigte. 2. Kinderspel. Zie skerese.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schaar , sjieër , schaar in het algemeen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
schaar , schere , scheertien , schaar.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
schaar , schere , scheertie , schaar.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
schaar , schaor , schaore, schare , de , schaoren , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook schaore (Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe, Veenkoloniën), schare (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) = schare, groep Der kwam een heile schaore kinder an (Row), Wat lop daor een grote schaor koenen (Exl), Er luup een hiele schare achter de optocht an (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schaar , scheer , de , scheren , (wp, N:ov) = aandeel in land of bos, nog niet geheel in onbruik. De marke van het gehucht Hijken is in zeker aantal scheren verdeeld. Vanouds waar en schaar hebben gewaardeeld zijn (wp), Allèn in het zuudwesten kent men ok scheer (N:ov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schaar , scheer , schèer, schere, schère , de , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook schèer (Zuidoost-Drents zandgebied), schere (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe), schère (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. schaar Ik heb gienene scharpe schere meer in huus (Hol), De schere is zo stomp as een viele (Flu), (fig.) Dat hew in de scheer laoten hangen zijn we het niet over eens geworden, is blijven ‘hangen’ (Sle), Dat is zowat geliek, dat hangt in de scheer het spant erom (Emm) 2. snijdend gedeelte van een ploeg, kouter De scheer is het gedeilte van de ploug dat de grond keert (Bco), De scheer van de ploug mout goud schaarp wezen, anders wil het neit snieden (Pei), De schère snedt de grond veur (Dwi), ...zit tussen de reuster en het mes (Hijk), Met bolten zat de scheer vaast an het rister (Eex) 3. waterplant, Stratiotes aloides (Zuidwest-Drenthe) De hiele wieke zit vol scheren, hij mut neug schoon emaakt worden (Hgv), Vrogger was het water schone; nou kun ie der niet meer roeien deur al die schèren (Ruw), Scheren, dat was een gewas dat as mest gebruukt worde (Hol), Er lag een prame vol scheren bij de sluus (Pes), Op scheren kuj goed eerpels verbouwen (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schaar , scheer , schèer, schering , de , scheren , Ook schèer (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), schering (Kop van Drenthe in bet. 2.) = 1. ring aan evenaar (Zuidoost-Drents zandgebied) De bolt veur de evender gung deur de scheer (Sle) 2. kale plek op de huid door het schuren van de kokers van de streng (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Dat is vast een goed warkpeerd, die hef scheren an het lief (Dro) 3. koker om de streng (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Die leren kokers weurden scheren nuumd (Hoh), Schèren bint leren stokken um de ziedstrengen tegen het kaal worden (Bro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schaar , schéér , schiér , schaar.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
schaar , schèrke , slot op een venster.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
schaar , schäre , (Gunninks woordenlijst van 1908) schaar, menigte
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schaar , skere , schaar
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schaar , schere , schaar; onderdeel van weegschaal.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
schaar , schoorn , scherven. De grote schöttel lag in schoorn op de grond.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
schaar , schàèr , schaar , Vur veul dinge héd'de 'n schàèr nóddeg, vur'rew naogel, vur drûijkes èn nog wa. Voor veel dingen heb je 'n schaar nodig, voor je nagels, voor draadjes en van alles.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
schaar , schere , zelfstandig naamwoord , de 1. schaar (waarmee men knipt) 2. ploegschaar, kouter 3. hetz. als scheermesstomp 4. het verband van keerstokken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schaar , schaer , zelfstandig naamwoord , schaere , schaertie , [O] schaar (jongensspel); Vaste schaer Kinderspel (al spelende maken de kinderen een sliert)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
schaar , schaer , zelfstandig naamwoord , schaere , schaertie , 1. ploegschaar 2. schaar; Die heb nog meer laeke voor de schaer Die heeft nog volop werk
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
schaar , [slot] , scherke , slot op venster
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
schaar , schiejer , schaar
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
schaar , skaere , (zelfstandig naamwoord) , schare, menigte.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schaar , skere , (zelfstandig naamwoord) , schaar.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schaar , schèèr , schaar , tuinschèèr, snoeischèèr, naaischèèr-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
schaar , schêr , scheer , schaar
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
schaar , schaar , stuk grasland benodigd voor een vaars, koe, paard of twee kalveren.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
schaar , schere , scheer , schaar.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
schaar , schéér, scheer , skeer, skèèjer , zelfstandig naamwoord , schaar (Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant); skeer, skèèjer; schaar (Helmond en Peelland; Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
schaar , sjieër , (vrouwelijk) , sjieëre , sjieërke , schaar
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
schaar , [kouter] , sjaar , (vrouwelijk) , snijmes van een ploeg, kouter
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
schaar , schèèr , zelfstandig naamwoord , schèère , schèrke , "schaar; Pierre van Beek – Bij het gezegde ""Ziezo, zeej de Fraansman en hij bedoelde 'n schèr (schaar)"" hebben we te doen met een aardig gevonden woordspeling door gelijkheid van klank. Men moet namelijk weten, dat het Franse woord voor schaar luidt: ""ciseaux"", dat als ""siezo"" wordt uitgesproken. (Tilburgse taalplastiek 6 Nieuwe Tilburgse Courant – zaterdag 11 maart 1950); Pierre van Beek – …van de kleermaker kon men wel horen, dat hij goed ""dur het oog van de schèr (schaar)"" haalde, waarmede hij dan beschuldigd werd van het achterhouden van overgeschoten stof, waaruit hij in opdracht een costuum gemaakt had. (Tilburgse taalplastiek 11 Nieuwe Tilburgse Courant – maandag 17 april 1950); WBD kapgebint: twee schuine balken die elkaar in de nok ontmoeten; WBD schèèrbêen - keper v.h.kapgebint (elk van de twee schuinstaande, elkaar in het nokpunt v.h. dak ontmoetende balken v.h. kapgebint); WBD schèère - de beide beenderen v.d. onderkaak v.e.paard; WBD vurschèèr, (Hasselt:) 'vurschaor' - voorschaar (van een ploeg); WBD 'schéér' (II:1044), ' schérk?' - weversschaar; WBD 'schèèr' (II:1111) - schaar; ook 'schijr', of 'knip' (kindertaal); A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - schèèr (krt.2l); A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; zelfstandig naamwoord vr.'scheer' - 1) schaar; 2) de beide beenderen v.h.kinnebakken; 3) grote mond. II (weverst.) schering. III - scheergebint. Antw. SCHÈÈR zelfstandig naamwoord v.- schaar, fr. ciseau; schèrke - verkleinwoord van 'schèèr'; met vocaalkrimping; schaartje; R.J. 'moet ik oew scherke nie slèpen?'"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
schaar , schie~r , schie~re , schie~rke , schaar
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal