elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schaatsen

schaatsen , [schaatsenrijden] , schaasse , Schaatsen.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
schaatsen , schaatsen , schaatsens, skövels , schaatsenloopen, schaatsenrunnen (Overijssel), schaatsen rijden.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
schaatsen , schátse , schaatsen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
schaatsen , schase , schaatsen
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
schaatsen , sjatse , schaatsenrijden.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
schaatsen , schotse , werkwoord , schaatsen. Kinderen leerden schaatsen op de krabbelbaantjes van Hessels Wouwer aan de Koestraat en de Wouwer aan het eind van de Wouwerstraat (zie ook: wouwer). Meer ervaren rijders schaatsten op de Kom. Dat was waarschijnlijk een restant van de gracht rond de Dekanije (woning van de deken) in de IJpelaer. Meester Broeders noemt de Decany Vijvers nog in zijn boekje uit 1838, samen met de andere watertjes in de kom, nl. de Noorder- en de Zuiderbeek, de Groote Wouwer en de Nijpelaar. Ideaal echter waren (en zijn) de vennen in de omgeving: het Roovertsvenneke (nu verdwenen), het Bankven onder Goirle, het Papschot en vooral de Flaes. Zie ook: bùitesneej.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
schaatsen , schaotsen , schaatsen. op Iese gat kunde goed schaotsen, de plas bij de Heische Tip is goed geschikt om op te schaatsen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
schaatsen , skasen , werkwoord , schaatsen. Ook: skasenlopen, skeuvelen (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schaatsen , schaesn , schaatsen (werkw.).
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
schaatsen , schôtse , schaatsen , Vruuger gónge we schôtse óp't Krûisvèn of óp de Kernaojk, lôtter nô de Flôs. Vroeger gingen we schaatsen op het Kruisven of op de Karneik, later naar de Flaes.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
schaatsen , schaetsen , schaesen , werkwoord , schaatsen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schaatsen , schetse , schaatsen , swienters gienge we altij schetsein de winter gingen we altijd schaatsen-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
schaatsen , schètse , schaatsen , Óp bótjes kande goewd lêre schètse. Op botjes kun je goed leren schaatsen.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
schaatsen , schetse , werkwoord , schaatsen (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
schaatsen , sjaatse , sjaatstj, sjaatsdje, gesjaatstj , schaatsen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
schaatsen , schòtse , zwak werkwoord , schòtse - schòtste - geschòtst , schaatsen, schaatsen rijden; Frans Verbunt -  gin èès èn tòch schòtse; Kleine vuutjes; schaotse zuutjes; schotse nulle; scheeve krulle; (Piet Heerkens; uit: De Mus, ‘Raodselke II’, 1939); «Geleuf mar dè ik schòtse kan/ al ist wèl lang geleeje,/ och bruur, wè hèk in mènne tèd/ ene schèève schòts gereeje» (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Op glad èès‘); Wanneer kunde nòg es schòtse/ van decèmber toe april... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Sneuw); Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “…èn toen zèn wij op de schòtse, zèn wij nòg ôojt oover et kenaol gereeje gienderwèèd nòr den Biestenhoutakker toe…”; Toch waren we nog wilder op èès, op schotsen. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); Ast in de wènter goed gevroore ha, dan ging hil de buurt daor schòtse. (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009); WBD (III.3. 2:161) schòtse, schòtse rije = schaatsen; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'schotse' ww - schaatsen; Op glad èès; «Paa, wörom gaode gij nôot mee / as ik nòr de èèsbaon gao, / of kunde gij nie schòtse paa?» / Paa zeej netuurluk : «Jao» / / «Geleuf mar dè ik schòtse kan / al ist wèl lang geleeje, / och bruur, wè hèk in mènne tèd / ene schèève schòts gereeje» / / «Schòtse, van dêen nòr daander toe, / kweet niemer waort begien is. / Mar wèk aaltij onthaawe zal : / Bijs moeder laag de fienish» / / «Toen hèk men schòtse mar verkòcht, / dèst nôodlot van et lèève / want ge kunt as ene getrouwde meens / tóch nie ònt schòtse blèève» / LECHIM
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal