elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schabbernak

schabbernak , schabbernak , schabernak is in het Oud-dietsch gemeen, valsch, bedrieglijk. Door een’ schabbernak verstaat men hier gemeenlijk eenen lagen bedriegelijken mensch. Ve
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
schabbernak , skabbelakke , skabbernakke , zelfstandig naamwoord meervoud , in de zegswijze ientje in z’n skabbelakke pakke, iemand in zijn lurven pakken. Een ‘schabbe’ is een oud, versleten kledingstuk, terwijl ‘lakke’ hier mogelijk een vervorming van ‘lappen’ is. Een andere suggestie is, dat het woord een variant is van schabbernak = schabrak, paarde- of zadelkleed. Vgl. Fries skabbelabben. Zie ook het N.E.W. onder schabrak.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schabbernak , skeváák , zelfstandig naamwoord de , Scharminkel, mager dier.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schabbernak , schabbernak , zelfstandig naamwoord , bouwvallig huis (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
schabbernak , sjevaak , (onzijdig) , sjevaker , 1. een brutaal iemand 2. iets dat groot, gammel en versleten is , Det is mich ei sjevaak.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
schabbernak , schabbernak , zelfstandig naamwoord , "Van Beek - 'n Oud krot van 'n woning noemt men in Tilburg 'n schabbernak. (Denk aan schobbejak.) ""Zo'n schabbernak van 'n kast zou ik niet willen hebben."" (Schabberig of schabbig verklaart Van Dale met: armoedig, kaal, versleten, bv. een schabberige jas, er schabberig uitzien, een schabberige bedelaar. Schabullig is armoedig, kaal, versleten, bv. schabullige kleren.) (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959); Cees Robben – Gij schabbernak van unne kop ... (19590912); Cees Robben – ’n Klinkklaor schabbernak... (19600826); Cees Robben – Rouwe grauwe schabbernakke... (19701106); Frans Verbunt -  lelijk voorwerp, prul; Henk van Rijen - onooglijk iets; Lechim - We hèbbe en modèrn stasjon/ ötgekiend, hêel presies,/ mar réècht daor teegenover stao/ et aaw schabbernak van 'Swies' (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vergaone gloorie) [ Bedoeld wordt het hotel-restaurant Suisse]; Piet van Beers: Van hierèùt op weg nor den Efteling/ Komde langs dè schabbernak./ Dè draaiend hèüs van Körmeling./ Nao ènnigte weeke waare de Tilbörgers/ Daor al hillemol op ötgekeeke. (Spoeje doemmeniemer; 2009); WBD III.4.4:284 'schabbernak' = iets onbelangrijks; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHABBERNAK - zelfstandig naamwoord o. - iemand die aardig aangetakeld is of wiens kleederen wonderlijk of slordig om het lijf hangen. Goem. SCHABBERNAK - in: iem. met zijn - pakken. WNT SCHABBERNAK, SCHAVERNAK, ontl. aan Hd.Schabernack, verwant met schaven en nek. 1) Wonderlijk of onooglijk kleedingstuk; 2) iem.die er wonderlijk of onooglijk uitziet; 3) rakker, kwajongen; 4) lichtzinnige; 5) oude magere koe; 6) bouwvallig huis, cavalje, barak; 7) door verwisseling met 'schabrak': zadelkleed; 8) In de uitdr. 'op schabernak gaan' - op de schobberdebonk loopen, klaploopen. Z.a. A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vr. 'schabbernak' - bouwvallig huis (schuur of schop). DeBo SCHABERNAK Z.a."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal