elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schadelijk

schadelijk , schoadêlk , schadelijk, nadeelig, in: daʼs ʼn schoadêlke brekên (berekening) = dat is eene zaak, een handel, waarbij men slechte rekening maakt.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schadelijk , schadelijk , (bijwoord) , Zie de wdbb. – Schadelijk lachen, hard, luid lachen. || Wat lach-je schadelijk. – Schadelijk lachen heeft de bijbetekenis, dat het lachen gemaakt is.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schadelijk , schaojelek , teleurgesteld, sneu, spijtig. Wat zet jij ʼen schaojelek gezich? Ben je je messie mit ʼen ander teugegekomme?
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
schadelijk  , schaaielik , schadelijk.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
schadelijk , schaoilek , schadelijk.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
schadelijk , skadelek , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , in de zegswijze skadelek lache, overdreven luid lachen. – Skadeleke worst, keis enz., worst, kaas enz. die gemakkelijk brokkelt, gauw op is.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schadelijk , schájlik , noadiëlig; schájlik lâche: ni gemènd lâche.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
schadelijk , schaelijk , schadelijk, met veel leedvermaak; * den lacht zo schaelijk, doar mut geld bie: die lacht als een boer die kiespijn heeft.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
schadelijk , schadelijk , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Var. als bij scha(de) = 1. schadelijk Dat is schadelijk veur de gezondheid (Man), Der bint veule medicienen mit een schaelijke bijwaarking (Wap), Hij hef last van schaodelijk wild (Zey), Laach niet zo schaodelijk met leedvermaak (Eex), Je kunt nog niet begunnen te maaien, dat is veul te schaodelijk het gewas is eigenlijk nog niet maairijp en geeft nog niet de volle opbrengst (Anl) 2. sneu, met schade (Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniën, Zuidoost-Drenthe) Het is toen mit verdelen niet helemaole eerlijk toe egaone. Ik bin der temienzen schalijk of ekomen (Ruw), Hij is der schaodelijk bielangs kommen (Ros)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schadelijk , skalijk , skaadlijk , schadelijk. Gunninks woordenlijst van 1908: schälijk lullen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schadelijk , schaojlek , schadelijk , Veul dinge die we doen zén schaojlek vur't muljeuj, éijgelek zó'wa alles. Veel dingen die we doen zijn schadelijk voor het milieu, eigenlijk zowat alles.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
schadelijk , schaedelik , schaelik , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. nadelig, nadeel berokkenend 2. onvoordelig 3. teleurstellend, sneu 4. licht smalend 5. van de wijze van lachen: zonder dat duidelijk is waarom
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schadelijk , schaedelek , bijvoeglijk naamwoord , 1. hatelijk Sta nie sôô schaedelek te lache 2. schadelijk
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
schadelijk , skadelijk , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , schadelijk.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schadelijk , schaojluk , onvoordelig
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
schadelijk , schâjlek , schadelijk, met groot verlies , Rooke is schâjlek vur oew gezóndhèijd. Roken is schadelijk voor je gezondheid., Ás ge dè petroon zoo knipt, vèlt ’t schâjlek uit. Als je dat patroon zo knipt heb je een groot verlies.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
schadelijk , schadelijk , met leedvermaak.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
schadelijk , schaoilek , skaailek, skaoilek , bijvoeglijk naamwoord , duur, nadelig (Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant); skaailek; duur, nadelig (Helmond en Peelland);skaoilek; nadelig (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
schadelijk , sjaejelik , sjaejeliker, sjaejelikst , schadelijk
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
schadelijk , schaojelek , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , B schadelijk, overdadig, te royaal; schaojlek laage - overdreven lachen; Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - schaojlek; De Wijs –  (Gehoord bij ’n dode: ) – ’t is mar te vruug, zô jong og en zôveul kender, ‘t is ’n schaojlek lèk (13-07-1966); Cees Robben – En ’n schaoielek lèèk... (19780616) [een overledene die de verzekering veel geld kost]; Henk van Rijen - 'schaojlek'; Verh. SCHADELIJK (schaoilijk) bijvoeglijk naamwoord  - 1) onvoordelig, duur; 2) gul, hard, in: 'schaoilijk lage' - hard en uitbundig lachen en daarmee energie verspillen; 3) in de uitdr. 'n schaoilijk léék' – een gestorvene die eigenlijk niet gemist kon worden.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
schadelijk , schaajlik , schadelijk; onvoordelig
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal