elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schaft

schaft , schoft , Schaft.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
schaft , schoft , vierendeel van een’ werkdag.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
schaft , [poosje] , schoft , schoffien , poos, wijle, korter of langer tijdsbestek. (v. Dale: schoft = een vierde gedeelte van een dag (onder werklieden).
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
schaft , schoft , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. – Zegsw. Dat’s ’en dag van vijf schoft, gezegd als men het zeer druk gehad heeft (een gewone werkdag heeft nl. vier schoft). Evenzo zegt men: Vijf schoft en nag gien vroegertje, hard gewerkt en toch niet eerder vrijaf.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schaft , schoft , tijdlang.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
schaft , schåft , [sxǫft] , schaft, zie: schoffen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
schaft , skoft , zelfstandig naamwoord de/’t , 1. De schaft, rustperiode tijdens het werk. 2. Bepaalde periode van een (werk)dag (¼ deel), een bijeenkomst, een feest e.d. Zegswijze an de (’t) skoft weze, aan het schaften zijn. Het woord is verwant met het werkwoord schuiven. Zie het N.E.W. onder schoft 3. Verkleinvorm skoffie. 1. Tijdje, poosje, deel van de werkdag. | ’t Eerste skoffie van de brulleft was ’t gezelligst. We moste nag maar ’n skoffie werke. 2. Klein stukje, kleine afstand. | We liepe nag ’n skoffie om.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schaft , skoft , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze op de skoft gaan, 1. gezegd van een jongeman die op visite ging naar een meisje met wie hij bruiloft had gevierd. 2. uit vrijen gaan. Vgl. skooi 2.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schaft , skoffie , zelfstandig naamwoord ’t , 1. Tijdje, poosje, deel van de werkdag. | ’t Eerste skoffie van de brulleft was ’t gezelligst. We moste nag maar ’n skoffie werke. 2. Klein stukje, kleine afstand. | We liepe nag ’n skoffie om. Vgl. skoft.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schaft , sjóft , vierde deel van een werkdag.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
schaft , schof , schoft, schoffie , zelfstandig naamwoord , (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), schoffie (KRS: Wijk) 1. schaft, etenstijd (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) 2. (zn) tijdsduur tussen twee schoften, zo ongeveer drie uur – een ochtend of een middag; soms ook de tijdsduur tussen bijvoorbeeld een maaltijd en het koffie drinken – dan duurt de schoft maar anderhalf uur. (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); ‘’t Is nog een hele schoft voordat we er zijn.’ (Coth) Ook in Gouda (Lafeber 1967, p. 158). Synoniem: *zeling . In deze betekenis ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 115). Zie hoofdstuk 4, punt 3: de arbeidsdag .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
schaft , schof , schöffien , 1. poos, tijdlang. 2. koffiepauze.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
schaft , schof , schoffie , tijd, poos.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
schaft , schoft , schaft , de , schoften , Ook schaft (Midden-Drenthe) = 1. tijd Dat is al een best schoft leden dat wie mekaar zein hebt (Bco) 2. schafttijd As de witte vlagge achter de schure hangt, is het schoft (Eli), Jonges, het is tien uur, wij hebt schoft (Hoh) 3. eten voor de schafttijd Doe harst dien schoft vergeten, ik heb die het man even naobracht (Bov) *Tied holdt gien schoft de tijd gaat door (Flu), z. ook bij schoftien
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schaft , schoftien , het , schofties , verkl. van schoft = 1. korte tijd Hie is mor een schoftien wegwest eventjes (Sle), Hij het al een schoffie met dat wicht lopen (Een), Wij gaot nog een schoffien hen het laand (Die) 2. bochel (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe) Wij zegt wel van iene, die een schoffien hef dat hij het slimste achter de rögge hef (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schaft , schòft , (Gunninks woordenlijst van 1908) poos
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schaft , skòft , pauze
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schaft , schof , schöffien , tijd, poosje. Zie bleevm der ’n hele schof. Hie is mâr ’n klein schöffien tuus ewes; schöffien, een poosje. Hie is mâr ’n klein schöffien tuus ewes.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
schaft , schoft , zelfstandig naamwoord , et 1. poos, periode 2. schafttijd
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schaft , schaft , zelfstandig naamwoord , schafte , schaffie , leren beenkap Opte brommer dee’k altijd m’n schafte an
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
schaft , schof , schoft , zelfstandig naamwoord , schoffe, schofte , schoffie, schoftie , 1. Het vierde deel van een werkdag, dat viel om ± 11:00 uur, als 2/4 dag of 2 maal een vierde deel van de werkdag voorbij was Nog êên schof en we binne daer klaor Ook schoft Zie ook half-schof 2. Schuif in een deur; schoft [O] het vierde deel van een werkdag; Houwie d’r rekening mee schoft dak al een te pakke heb Hou je er rekening mee dat ik al een vierde deel van de werkdag gewerkt heb Zie schof
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
schaft , schôft , 1. schaft; 2. tussen de middag
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
schaft , skoft , (zelfstandig naamwoord) , pauze, schafttijd. Ook: skofttied.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schaft , schof , gedeelte van de dag , ik gaoj nog ’n schof peeje dunne = ik ga nog een paar uur suikerbietenplantjes uitdunnen-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
schaft , schof , schoft, sjoft , 1. poos; 2. (schaft)pauze; 3. derde of vierde deel van de dag; schoften, sjoften, schaften, lunchpauze houden.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
schaft , schof , zelfstandig naamwoord , korte periode (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal