elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schansmuur

schansmuur , schansmuur , stenen schutting
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
schansmuur , schaansmuur , skansmuur , zelfstandig naamwoord , schutting (Tilburg en Midden-Brabant); skansmuur; schutting (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
schansmuur , schaansmuur , zelfstandig naamwoord , scheidingsmuur, schutting; WBD (III.2.1:471) schaansmuur = schutting van steen, ook genoemd: muur, 'schans' of 'schrans', schutting of schot; WBD (III.3.3:96) 'schansmuur', 'tuin', 'heg', muur, 'kerkhofmuur' = omheining v.h. kerkhof; Interview dhr. Van den Aker – 1978 – “...èn agge oover die schaansmuur zôo es en stintje ooverheene gôojde  èn hij, hij zaag dè, dan moeste binnekoome in de klas.” (transcriptie Hans Hessels 2014); A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vr 'schans' - lage stenen muur (om een speelplaats o.a.) zelfstandig naamwoord m. 'schansmuur', hetz. als 'schans'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal