elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schap

schap , schap , een vak in een kas met planken. Schaap-schop, i. e. kooi. Schap, een houten driekant schild, waarin de top der rieten boerendaken aan de endzijden eindigt, zoodat evenwel een tuif van stroo over de twee bovenste randen uitsteekt. Pl. d. schapen, ijzeren pan. Scher. schuppeken, tugariolum. Appel-schappen, vakken in de houten stellaadjen, waar de appelen bewaard worden. Van hier de uitgang schap in wetenschap, insluiting van het weten, enz.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
schap , schab , meervoud schabben, plank van geringe waarde, gewoonlijk de buitenste plank van eenen boom. Meijer heeft voor schabbe en schobbe deksel. Sommige meenen
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
schap , schappe , Plank om iets op te zetten, bij v. in een kast, boekenhanger, enz. id. Overijselsch; elders bij uitbreiding voor de kast zelve. Het woord komt al in den Heliand voor, zie o.a. de fragmenten door wijlen den Belgischen Taalkenner Vandenhove (Delecourt) meêgedeeld in ’t Taelverbond, 1853. Van daar schapraai, kast met schappen, in ’t bijzonder etens-, brood-, spijskast, als Hondius, Moufe-schans, blz. 197: ‘Uwe boogaerts en u hoven, / Uwe spende en u schapprae / Staen van onder en van boven / Open onder mijn genae.’ Vergelijk o.a. Hoeufft, Bredaasch Taal-eigen, blz. 511.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
schap , schap , (onzijdig) , vak, afdeeling in een kast; appelschap.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
schap , schap , kast; ook een kleine, ruw getimmerde muur, naast een grotere, dienende tot bergplaats voor het een en ander. Overijselsch, Geldersch schappe = plank om er iets op te zetten, b.v. in eene kast, van een boekenhanger; elders voor de kast zelve; Noord-Brabant schaprade = etenskast; Maastricht schaap, en: schaapraai = spinde, etenskast; in de Graafschap schap = eene kast, zooals daar nog in zeer ouderwetsche huizen wordt aangetroffen, en waarvan het bovenste gedeelte tot glazekast, het onderste voor spinde dient. Kil. schap = broodkast, kast; Oostfriesch, Nedersaksisch, Holsteinsch, Mecklenburgsch schap, schapp, Oud-Noorsch scápr, IJslandsch scapr = kast; Noordfriesch, Oud-Saksisch scap, Deensch skab, Zweedsch skap, Engelsch shop = winkel; Hoogduitsch Schaff = vat, ook: kast; Oud-Hoogduitsch scafa, Middel-Hoogduitsch schafreite = plank in eene kast, bord om er allerlei gereedschap op te zetten. Oud-Saksisch skap = vat, vaatwerk, Oud-Hoogduitsch scaph, Latijn scaphe of scaphium.
(Oldampt); eene soort van meer of minder groot hok in een weideland, dienende tot beschutting van het vee voor zon, regen en wind. “Hoever wel de brooddronkenheid van kwajongens gaan kan, bleek laatstleden zondag. Een zoogenaamde “schap” toch in het land van –, dienende tot beschutting van vee, werd door hen aan de vlammen opgeofferd.” (Zuidbroek 1887.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schap , schap , (onzijdig) , Plank om iets op te zetten, plank in een kast. Mnl. schap – etenskast, spijskamer. (Oudemans). Oost. Fr. schap – schrank. b.v. bokenschaft. In Dev. is een bôkenschap een plank om boeken op te zetten, niet ʼn kast. Meijer geeft: schap – spinde, spijskamer. Een kast met schappen staat in Dev. tegenover ʼn hangkast.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
schap , schabbĕ , daklatte (verouderd), V, 38.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
schap , schap , (onzijdig) , Plank om iets op te zetten, plank in een kast. Mnl. schap – etenskast, spijskamer (Oudemans). O.-Fr.: schap – schrank, bv. bokenschaft. In Dev. is een bôkenschap een plank om boeken op te zetten, niet een kast. Meijer geeft: schap – spinde, spijskamer. Een kast met schappen staat in Dev. tegenover een hangkast.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
schap , schaab , schaape , schaebke , schab. Op sint Anna’s schaepke, een oude jong juffrouw.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
schap , schap , onzijdig , tapkast, buffet
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
schap , skap , zelfstandig naamwoord, onzijdig , skàppe , skàpken , 1 tapkast, 2 kastplank
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
schap , schap , o , schappe , schèpke , schap, schappen, schapje; plank aan muur, of in kast Leg ’t mar op ’t schap Leg maar op de plank
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
schap , schabbe , berghok
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
schap , sjaape , meervoud , soort kast van latten en planken, zonder deur, om iets in op te bergen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
schap , schap , zelfstandig naamwoord , décolleté. Die meijd ha me toch ’n schap! ’t Waar gròòte schand. Zie ook: spie.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
schap , schap , het , schappen , 1. plank Een schap is een plank in de kast en in de winkel waren ok schappen (Hijk), ...is een plank aan de wand (Row), De busse staait op het tweide schap (Erf), Wij wilt nog een schap in de kelder maken veur de weckflessen (Bor) 2. plankenkast, broodkast (Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) Het was door zo armoudig, de muze lagen dood veur het schap (Bco), Een lös kassien an de kaante is een schap (Wap) 3. tapkast (Zuidoost-Drents zandgebied) Wij heb nog een paar an het schap drunken (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schap , schop , het , schoppen , (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = bijschuur De schop zat vaast an de schuur. IJ kunden er in opbaargen: zudden, baggel, törf, heui, waogens of de koets (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schap , schappie , zelfstandig naamwoord , schappies , leren schouderlap gevoerd met vilt, als schouderbescherming bij het dragen van zware balken
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
schap , skap , (zelfstandig naamwoord) , skäppien , schap, kastplank.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schap , schap , plank waar iets op gezet of gelegd wordt, bijvoorbeeld de aanrechtplank.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
schap , schab , skab , zelfstandig naamwoord , plank (in een kast of aan de muur) (Eindhoven en Kempenland); skab; dikke plank (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
schap , sjaap , (onzijdig) , sjape , sjaepke , schap, legplank , Dao höbbe ze neet väöl op ’t sjaap: daar is armoede. Det maedje haet hieël get op ’t sjaap: dat meisje heeft grote borsten. Zèt de kaoj sjóttel mer op ’t keldersjaap.: dat meisje heeft grote borsten. Zèt de kaoj sjóttel mer op ’t
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
schap , schap , schab , zelfstandig naamwoord , schabbe , "plankenkast; plank in een kast of langs een wand, décolleté, spie; Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ènkelt vur de schap koome (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971)- komen als er ergens wat gratis verkrijgbaar is (schap = schbberdebonk); N. Daamen - Handschrift 1916 – schap - ze staak èt in d'r schap (in haren boezem); Van Delft - ""Hij mag er op 't schap kijken."" Hij is bij die familie of dat gezin 'n zeer vertrouwd huisvriend. - ""Hij zal er niet veel tin van op zijn schap zetten"" of: ""Hij zal er niet veel zij bij spinnen"". Hij zal er niet rijk van worden. (Tinnen borden waren bij de boeren vroeger reeds een zeker teeken van welstand; zij werden op de schapraai gezet.) (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929); WBD III.1.1:117 'schap' = borsten van een vrouw; WBD III.1.1:119 'schap' = boezem; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schap zelfstandig naamwoord  - décolleté; C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - SCHAB o - dikke plank, aan één kant ongezaagd en rond; SCHAP - 1) diepe muurkast, voorraadkast; 2) décolleté, spie; genoemd naar 1) waarin ook de kumkes op de plank staan?; Goem. SCHAP - zelfstandig naamwoord o. - plank om iets op te zetten; dim. Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHAP, SCHAB - plank tegen den muur of in eene kast."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
schap , schaa~p , schape , schápke , schap; legplank
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal