elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schelden

schelden , schenden , schelden. De verwisseling der liquidae is, weet men, niet ongewoon.
Bron: Bisschop, W. (1862), ‘Het Dordsche taaleigen. Bijdrage tot de kennis der Hollandsche dialekten’, in: De Taalgids 4, 27-48.
schelden , schellen , schelden; iemand de pōkkel vōl schellen = vreeselijke scheldwoorden en beschuldigingen tegen hem uitbraken; schellen en angoan. Synoniem met de tautologie: schellen en rachen.
schōl = schold (van: schellen = schelden); zij schōl bōt op hōm, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schelden , schelden , Wanneer een jongen wil te kennen geven, dat schelden hem niet deert, zegt hij: schelden düt mîn n(i)eet zeer, Aj mîn slaot, slao ʼk u weer.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
schelden , schelden , (sterk werkwoord, intransitief) , Zie de wdbb. – Ook: berispen, knorren geven, kijven. || De juffrouw scheldt de hele dag (zij heeft op alles wat de meid doet iets aan te merken). Staan zo niet te skelden. – Ook in het Mnl. en in de 17de e. (b.v. in de Staten-bijbel) komt het woord in deze bet. voor, die thans in de algem. taal verouderd is. – Vgl. schelden II.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schelden , schelden , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Berisping, knorren. Zie schelden I. || Ik heb schelden ’ehad, omdat ik in ’et water ’elegen heb. Wat zeI jij ’en schelden krijgen. – Zo ook elders in N.-Holl. (Taalgids 6, 310).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schelden , schelden , Wanneer een jongen wil te kennen geven, dat schelden hem niet deert, zegt hij: Schel(d)en düt mîn n(i)eet z(i)eer, Aj mîn slaot, slao ʼk u w(i)eer.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
schelden  , schelde , schelden.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
schelden , schealden , schäöl, eschäölden [әsxœ̄ln̥] , schelden
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
schelden , skealn , werkwoord, sterk , 1e persoon enkelvoud verleden tijd: skùel, verleden deelwoord: eskùeln , schelden
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
schelden , schèlle , schôld, gescholde. , schelden, schold, gescholden.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
schelden , skelde , skelden , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze skelde(n) kroige, berispt worden, uitgescholden worden.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schelden , schelden , sterk werkwoord, onovergankelijk , Rekking in Veenkoloniën en Kop van Drenthe = schelden Hie döt op het mement niks as schelden en raggeln, hie is niet te bruken (Eex), Hij schol mie oet veur dikkop (Bov), Ik zal hum de pokkel nog wal een keer volschelden (Zwe), Het zal der nou gries schelden dat zal een spektakel worden (Hijk), z. ook gelden, (zelfst.) Wat heb ik ain schelden kregen! wat heb ik op mijn duvel gehad (Vtm) *Schelden, schelden dut niet zeer / Ast mie houwst, houw ik die weer (Bov), ...en klappen krieg ik niet meer (Klv), ...klappen veule meer (Hgv), ...klappen betert wel weer (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schelden , schèllen , schelden. hij litm geduurig uit te schèllen, hij scheldt hem steeds uit.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
schelden , skellen , skelt, sköld, sköllen, esköllen , schelden. IJ skelt oe de pokkel vol ‘hij scheldt je de huid vol’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schelden , schelden , werkwoord , schelden, met woorden tekeergaan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schelden , schèlle , schelden
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
schelden , skellen , (werkwoord) , skellen, esköllen , schelden.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schelden , schelle , schol , schelden , zij stond ’m midden op straot uit te schelle en hij schol net zo hard trug = zij stond hem midden op straat uit te schelden en hij schold net zo hard terug-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
schelden , schèlle , schelden , Schèlle duu nie zeer, mèr biechte moete zuvvulste meer. Schelden doet niet zeer, maar biechten moet je het zoveel te meer., Katholiek kindergezegde als je uitgescholden werd en geen betere reactie wist.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
schelden , schèlle , werkwoord , schelden (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
schelden , sjelje , sjeldje , sjeltj, sjeldje/sjól(d)j, gesjól(d)je , schelden
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal