elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schelf

schelf , schelft , (mannelijk) , hooizolder.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
schelf , schelf , m , bovenstuk van een klomp.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
schelf , schelf , oape zoalder óppe scheur.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
schelf , sjélleft , balkenzolder.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
schelf , schèlft , zelfstandig naamwoord , schelf. Zolder boven een stal of schuur gevormd door houten boomstammetjes. Gebruikt om hooi of stro op te bergen.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
schelf , schelf , de , schelven , (Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën, Kop van Drenthe) = kapschuur In de schelf hew een ofzundering maakt veur de schaopen (Exl), Wai zeggen kapschuur en ok wel schelf (Rod)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schelf , schelft , hooizolder
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
schelf , schilver , bos hout.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
schelf , schèlleft , hooizolder , És ze meej de kónt dur de schèlleft hange zén ze allemôl inder. Als ze met de bips door de hooizolder hangen zijn ze allemaal hetzelfde. Bij het kiezen van je levenspartner moet je vooral op het innerlijke letten en niet al teveel op het uiterlijk.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
schelf , schelf , zelfstandig naamwoord , de; schelf: voor hooi, stro enz.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schelf , schellefie , zelfstandig naamwoord , schellefies , [sGr] kleine schelf nog op het land staand bolvlas
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
schelf , schèlf , schèllef , 1. hooiberg; 2. deksel
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
schelf , schélft , hooizolder, schelf
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
schelf , schilft , (M) hooiberg. Schëlf (W)
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
schelf , schelft , skelft, skilft , zelfstandig naamwoord , hooizolder (Eindhoven en Kempenland); skelft; hooizolder (Helmond en Peelland); skilft; kippenhorde, houten geraamte waar de kippen op slapen (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
schelf , schèlft , schèlf , zelfstandig naamwoord , WBD zolder in stal of schuur, ook genoemd 'balke', 'schôor', hoojzòlder'; Cees Robben – Bende al getrouwd Piet...? ..Ongebonden is ’t bist zeej ’t kelfke.. en ’t kos rond den schelft... (19650910); WBD schèlf - veldschuur (vrijstaande, van alle zijden open bergplaats, met op en neer beweegbaar dak, overwegend voor hooi bestemd), ook 'hoojmèèt' of 'hoojbèèrg' genoemd. WNT SCHELF, SCHELFT - bergplaats voor hooi of stroo; Str. schelft (2:103); A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - schelf, schelft bergplaats van hooi of stro boven een stal (zelfstandig naamwoord l.); Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schèlft zelfstandig naamwoord  - schelf; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHELFT zelfstandig naamwoord m. - zoldering gevormd door eenige houten sparren, boven stal; K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - SCHILFT: een hooizolder, die meestentijds boven den beestenstal is, en niet met planken maar met ruwe latten belegd. Kiliaen - : 'schelf'. A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; zelfstandig naamwoord m. +vr. 'schelft' - zoldering gevormd door enige houten of sparren boven een stal of schuur en dienende tot bergplaats voor hooi of stro.; schelf; WBD III.4.4:233 'schelf' = scherf
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal