elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schemeren

schemeren , schimmeren , glinsteren, schemeren, schitteren.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
schemeren , schemêrn , in; ’t schemert hōm nijt = hij heeft een heldere kop.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schemeren , schièmmeren , [sxĭęmәrn̥] , schemeren. Wi zittet nog te schièmmeren. Daor schièmmert mi wat vån vüür: daar meen ik mij iets van te herinneren. Het schièmmert em neit: hij heeft goed zijn verstand.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
schemeren , schiemere , dagen ’t Begint me te schiemere Het begint me te dagen; ’t schiemere mien vör d’oge Het schemert me voor de ogen. sterretjes zien
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
schemeren , sjeemere , sjiemmere , aanbreken van de dag, schemeren; vur de oeëge sjiemmere “voor de ogen schemeren”.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
schemeren , schiemere , werkwoord , schemeren. ’t Schiemert vur m’n òòge. ’t Schemert voor m’n ogen.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
schemeren , schemern , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. schemeren De kiender koomt al niet meer bij lochten in huus, want het begunt al aordig te schemern (Koe), Het schemert mij veur de ogen (Wee) 2. in de schemering zitten Wij doen de laampe nog niet an, wij willen nog even schemern (Eri)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schemeren , schiemeren , licht worden, schemeren. ’t schiemert, het is morgenschemering; m’n ogen schiemeren, het schemert mij voor de ogen. zie ook schimmer.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
schemeren , skemeren , skemen , (Kampen) schemeren. Ook: skemen (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schemeren , schiemeren , schemeren , werkwoord , 1. schemeren, schemerachtig zijn 2. in de schemer zitten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schemeren , schiemmere , schiebere , 1. onscherp zien; 2. schemeren
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
schemeren , skemeren , (werkwoord) , skemeren, eskemerd , schemeren.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schemeren , schiemere , wazig zijn, schemeren , ’t Schiemert vur m’n ooge. Ik zie alles wazig.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
schemeren , schiemere , skiemere , werkwoord , schemeren (Tilburg en Midden-Brabant); skiemere; schemeren (Den Bosch en Meierij; Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
schemeren , schiemere , zwak werkwoord , een onrustig beeld vertonen; WNT geeft onder lemma SCHEMEREN B.3: Het schemert mij enz. voor de oogen, ik enz. kan (door schel licht, een onrustig tafereel, aandoening, vermoeidheid) niet duidelijk zien. schiemere - schiemerde - geschiemerd; Korte ie ; ook 'schiemele'; R.J. 'k zaag et schiemere vur men ôoge; Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'dan schiemer-et-hem veur z'n oogen'; Cees Robben – Ik kèèk schèèl van de koppent (...) en ’t schiemert vur m’n ôôgen... (19831118); Men ôoge die zèn rôod geraand./ Et schiemert vort ammòl. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ast ene sleur gao worre); Rolf Janssen - 'k zaag 't schiemeren vur m’n ogen/ toen 'k daor ston' in 't volle licht/ mar toen 'k weh begos te wennen/ zaag ik 'n bekend gezicht// 't waar potdorie paoter Heerkens/ die on 't verzen maoken gong/ en meej 'n stem a's van ’n ürgel/ 'n hil aaw Tilburgs lieke zong... (We hebben gezongen en niks gehad, 1984). WBD III. l. l:241 'schemeren' = schemeren v. d. ogen 'schemeren voor zijn ogen' = idem; WBD III.4.4:239 'schemer', 'schemering' = schemering; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schiemere ww - schemeren; C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - SCHIEMEREN onov. ww, meestal onpers. gebruikt: 't schiemert vur m'n oo:ge' - ik krijg geen duidelijk beeld v. d. werkelijkheid, de verdeling v. licht en donker is ongewis, de kleuren zijn te fel, of: ik heb hoofdpijn. Verwant met: schemeren, schiem, schim, schimmeren. Bont, zw, onp. ww. 'schimmeren' - schemeren, niet helder zijn voor iemands ogen.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal