elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: scherp

scherp , schaarp , (bijvoeglijk naamwoord) , scherp.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
scherp , schârp , scharp , (bijvoeglijk naamwoord) , scherp. Voor het stekelvarken wordt ook gezegd scharpen ase (d.i. scherpe haas); fel, lastig; ’n schârpen hond, een bijterige hond; schârp op (i)eets wèzen, fel zijn op iets.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
scherp , scharp , scherp; ’n peerd op scharp zetten = een paard met gescherpte hoefijzers beslaan; ’k bin op scharp, zegt de schaatsenrijder die zijne schaatsen zoo pas heeft laten slijpen. Hiermede wil hij te kennen geven dat hij scharpe scheuvels heeft, waarop hij vast staat, niet heen en weer glijdt zooals op stōmpe scheuvels het geval is; hij ’s op scharp, fig. = hij heeft zich ter dege voorbereid om die zaak te verdedigen of om elken aanval af te weren.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
scherp , scherp , scharp , (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord) , Daarnaast skarp. Zie de wdbb. || Zo’n scharp mes. Hij hoort niet skarp. Voorwaer, ’t gingh ’er soo scharp af dat Vronen na die tijt (t.w. de verwoesting) noyt weder heeft mogen opkomen, SOETEBOOM, S. Arc. 76. – Evenzo als zelfstandig naamwoord || Hij hadde de Paerden met scharp beslagen, en ... nieuwe Ys-sleden doen maken, SOETEBOOM a.w. 583.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
scherp , schaarp , scherp.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
scherp , schaip , schäiper, schäipst , scherp
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
scherp , skoarp , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , scherp. Zoo skoarp as nen vlim, vlijmscherp
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
scherp , schaarp , 1. scherp. 2. begaafd. 3. kippegrit
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
scherp , skerp , skarp , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , Ook: 1. Schrander, goed wakker. 2. Hatelijk. Vgl. Fries skerp; overtreffende trap skerpst, in de zegswijze niet op z’n skerpst weze, niet oplettend genoeg zijn, iets niet op tijd door hebben.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
scherp , skerp , zelfstandig naamwoord ’t , Iets dat scherp is, scherpe uitsteeksels heeft e.d. Zegswijze skerp in hewwe, gezegd van vee dat bij het grazen of vreten scherpe voorwerpjes als spijkertjes, glasdeeltjes enz. naar binnen heeft gekregen. – Op skerp staan, 1. voorzien zijn van ijsbeslag, vooral van paardehoeven en van klompen die met zogenaamde scherpnagels zijn beslagen. 2. scherp opletten, op zijn hoede zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
scherp , sjèèrep , ’t sjèèrpe , snijblad van een mes; scherpe kant van een snij-instrument, bijv. van de zeis.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
scherp , schèèrp , bijvoeglijk naamwoord , scherp. 1. Als het door sneeuw en vorst glad geworden was moesten de paarden schèèrp gezet worre. Ze kregen ijzeren pinnen onder de hoeven. 2. Iemand staat op schèèrp als ie staat te tisse (te popelen) om mee te doen of om in te grijpen.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
scherp , scharp , schaarp , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook schaarp (Zuidwest-Drenthe, noord, Noord-Drenthe) = 1. scherp Dat mes is goed scharp (Hgv), Scharp gereedschap is het halve wark (Eli), (fig.) Hij hef het mes scharp in de buus je moet voor hem oppassen (Emm), Zo scharp as een scheermes (Klv), ...vlim (Pdh), Hij hef het mes goed schaarp ehad heeft bereikt in het leven wat hij wilde (Dwi), Het is een scharpe pries (Emm), In een scharpe bochte muj gas mindern (Koe) 2. spits Hij steuk mie mit dei scharpe naalde in de arm (Bov) 3. bijtend, stekend Die mosterd is mij te scharp (Odo), De mèertzun kan scharp wezen (Exl), Zwienemiege rok zo scharp (Bov), Wat een scharpe locht fel (Hol) 4. hees Ik heb het ien de kèel, het is mij scharp in de hals (Hgv), Ik wor verkolden, want het is mij zo scharp in de hals (Zwig) 5. bijtend, vinnig Hij hef een schaarp mondtie (Die), ...schaarpe tonge (Bco), Hij is scharp in de mond (Sle), 6. nauwkeurig, duidelijk Hij kik schaarp controleert nauwkeurig (Row), Aj hum volgen wilt, moej scharp opletten (Nam) 7. goed bij Die is scharp in de handel (Klv), Wat is dat olde mens op heur leeftied nog scharp (Ros), Dat kind is zo scharp as een pen goed bij (Sle) 8. op winterijzers (Zuidoost-Drents zandgebied) Peerde wuurden in de winter scharp maakt (Pdh) 9. sterk (Midden-Drenthe) Dat moe’k je scharp ofraoden (Bei), Ik heurde een scharp staoltie over het streupen (Flu) 10. te hard uitgebraden De kaonen waren scharp oetbraon, ze waren te hard en ok wat zwart (Sle) 11. met kleine, scherpe kanten Even wat scharp zaand haelen (Dwi) 12. in scharp op wat wezen a. graag willen hebben en proberen het te krijgen Hij is schaarp op dat wicht (Eco) b. vol aandacht, lettend op Jan wet altied de marktpriezen; daor is e barre scharp op (Hgv), Hie is der schaarp op um je op umwaorheden te betrappen (Eex), Het schatten van een zwien kunt enkele meensken geweldig scharp op wezen (Eke) 13 (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), in Scharpe törf was van zwart veen (Klv), Scharpe törf mus direct onder de plaggen; die kun gien zunne lieden (Pes), z. ook scharpveen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
scherp , scharp , schaarp , het , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook schaarp (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. scherp(e) voorwerp(en) Wij hebt de veearts bij de koe had, hie har scharp in (Sti), Pas op mit zwemmen in de wieke, daor kan wal scharp in liggen (Bco), Wij schiet met scharp (Flu) 2. winterijzers Dat pèerd stiet veerkant op scharp alle vier benen op ijzers (Sle), Hij stiet op schaarp op schaatsen (Dwi) 3. klaar zijn Het geweer stiet op scharp (Pdh), (fig.) Oonze Klaosien steet altied op schaarp; der ontkomp heur niks (Die), Die stiet op scharp um te helpen (Geb), Die man, daor moej veurzichtig met weden; die stiet aaid op scharp is opvliegend (Sle), Hij steet op scharp, het mut neug gebeuren (Pes) 4. scherpe kant (Midden-Drenthe) Hie veuil met zien haand op het schaarp van het mes (Eex) 5. grit (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Diggels weurden ok wal fienslagen tot scharp veur de hoender (Ndo), As de kippen gien scharp genog kriegt, bint de doppen niet stark (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
scherp , schèèrp , scherp.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
scherp , skärp , scherp
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
scherp , schârp , scherp.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
scherp , schârp , scherp materiaal bij vee in de maag. Die koe hef schârp binn ekreegn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
scherp , schéérep , scherp, geslepen , Ut kömt zó spits nie és’t mér schéérep is. Het komt zo spits niet als het maar scherp is. Het komt niet zo precies.
Geridschap moet'te goed schéérp haauwe és ge teminste goej wéérk wult maoke. Gereedschap moet je goed scherp houden als je tenminste goed werk wil maken.
De mèsse moete schéérp gemôkt worre, ge kun'ter'rew bóttramme nie mér meej snéije. De messen moeten geslepen worden, je kunt er je boterhammen niet meer mee snijden.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
scherp , scharp , schaarp , zelfstandig naamwoord , et 1. grit, nl. als aanvulling op het kippenvoer 2. scherpe deeltjes die in de maag van vee terecht kunnen komen 3. ijzeren punten om onder de hoefijzers van paarden te monteren (tegen gladheid) 4. scherp van een geweer e.d.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
scherp , scharp , schaarp , bijvoeglijk naamwoord , 1. scherp, goed geslepen, gemakkelijk snijdend, vlot insnijdend 2. spits, fijn, smal en spits toelopend 3. hard en puntig, onzacht aanvoelend 4. met het vermogen om te doden of verwondingen toe te brengen, in verb. als scharpe petronen 5. scherp prikkelend voor de zintuigen, bijtend, snijdend, priemend 6. helder van geest, tot in kleine details met goed begrip of zich goed uitdrukkend, met fijn onderscheidingsvermogen 7. oplettend om meteen te kunnen doen, klaar om te reageren, gereed voor directe werking 8. puntig, vinnig, bijtend uitgedrukt 9. nauwkeurig te onderscheiden 10. met geringe winstmarge en daardoor concurrerend
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
scherp , schèèrep , scherp
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
scherp , skärp , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , scherp.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
scherp , schèèrp , scherp , Óp schèèrp stòn. Een sterk verlangen hebben om te vrijen. Schèèrp Licht. Scherp Licht. Bijnaam voor iemand in Nuenen die een sterke carbidlamp op zijn fiets had. Willem is ’r inne van Schérpenheuvel. Willem is een geilaard. Fantasienaam.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
scherp , schaarp , heel zuinig, schriel.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
scherp , schaarpe , scherpe , (zelfstandig naamwoord) , prikkeldraad (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
scherp , scherp , zelfstandig naamwoord , scherpe kant van het mes (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
scherp , sjerp , sjerper, sjerpst , 1. scherp 2. hitsig , Pas op, det mets is vliemsjerp! Zich de päöl oppe kop sjerp laote make: je laten koeioneren.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
scherp , schèèrp , zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord , scherp; WBD (et) schèèrp ienhèbbe, schèèrp gegeeten hèbbe - gezegd van een koe die met het gras ook een scherp voorwerp (b.v. stukje ijzerdraad) heeft ingeslikt; R.J. 'meej z'n schèrp staol'; Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zo schèèrp as en gat (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - spreekwoordelijke vergelijking; WBD III.3. 1:298 'scherp' = vinnig; WBD III.4.4:153 'scherp zand' = drijfzand; Stadsnieuws - De koej van boer Van Roessel heej et schèèrp; as de veearts der nie bij gehòld wòrt, gao ze dôod.(240906); A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; bijvoeglijk naamwoord  'schaerp' - scherp. Z.a. voor uitdrr. Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHERP (uitspr. schärrəp) - scherp; glad (van ijs), grof (van zand); Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schèèrp bijvoeglijk naamwoord  - scherp
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal