elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: scheutig

scheutig , [goedgeefs] , scheutig , haastig. , Hij is nietom dit te doen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
scheutig  , scheuts , royaal. Hae is neet scheuts, hij is niet royaal.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
scheutig , scheutig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. royaal As opa non maor een beetie scheutig is met de centen, kan ik mij een neie fiets kopen (Dro) 2. rijzig, opgeschoten (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Ik har hum een tied niet zien; het is een flinke, scheutige vent ewörden (Ruw) IJ hadden van die mooie scheutige ploegen met lange punt (Sle), ...fietsen niet zo steil op het voorwiel (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
scheutig , skeutig , scheutig, vrijgevig, toeschietelijk. Ook: skeuts
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
scheutig , scheuteg , toeschietelijk , Héij is nie zó scheuteg és'ser iet van'nem gevraogd wordt, héij kèkt 't nog wél éfkes af. Hij is niet zo toeschietelijk als hem wat gevraagd wordt, hij kijkt de kat uit de boom.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
scheutig , scheutig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. flink uit de kluiten gewassen, rijzig 2. vrijgevig, royaal
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
scheutig , scheuterig , goedgeefs
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
scheutig , skeuts , (bijvoeglijk naamwoord) , scheutig, goedgeefs.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
scheutig , scheutig , 1. snel, vlug, gauw; 2. gul; 3. uit de kracht gegroeid (kinderen); 4. goed uitgegroeid (bomen, planten) (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
scheutig , scheuteg , skeuteg , bijvoeglijk naamwoord , royaal (Eindhoven en Kempenland; Land van Cuijk; Tilburg en Midden-Brabant); skeuteg; royaal (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
scheutig , sjuuetig , scheutig , Neet erg sjuuetig zeen: niet goedgeefs zijn, aarzelen om mee te helpen.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
scheutig , scheutig , zich scheutig geeuwe, veel geeuwen; en toen mos ik me toch scheutig geeuwe!
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal