elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schier

schier , schier , schier, adj., word op veluwe gebruikt van een rundbeest, dat niet zwaarlyvig is, een ranke koe zou men in Holland zeggen. My heugt dat ik in de Suiker Raffinaarderijen dikwils heb hooren spreken van schiere vormen, dat zyn aarde Suikervormen, die nooit te voren gebruikt waren. Schier beteekent in Drenthe een beest dat niet geheel vet, en ook niet mager is; het beest is schier = het ziet er tamelyk wel uit. Zou dat schier ook vermaagschapt zyn aan ’t verouderd werkwoord schieren, partiri, dividere? Een beest daar ’t vet en mager by verdeeld is. Van een gemeen mensch, die net op ’t lyf is, wiens klederen wel slegt maar niet gescheurd of morsig zyn, zegt men: die mensch is schier. Schier, alleen. Het is schier vet, het is alleen vet. Het is schier, boter, ’t is alleen boter. Drenthe.
Bron: Berg, A. van den en H.J. Folmer (1774-1776), ‘Veluws en Drents uit de 18e eeuw’, uitgegeven door K. Heeroma in: Driemaandelijkse bladen 12 (1960), 65-83, 97-116.
schier , [schoon, ordelijk] , schier , schoon, ordelijk, effen, knap, in orde, zuiver, net, gereed; hij komp er niet hêelndal schier of = niet zonder eenige straf; in ’t schier krijgen onder twistenden = zich verzoenen. Gron. schier = rein, zindelijk, net (van arme menschen), enz.; Overijs. schier = netjes, knapjes; Oostfr. schîr = glad, zuiver, schoon, ordelijk, niet in lompen of gescheurde kleeren; Neders. Holst. schier = klaar, helder, doorzichtig; Westf. schîr = zuiver, onvermengd; Ouds. AS. Oudfr. IJsl. scir, Oudn. Zw. skir, Deensch skär, skjär, Noordfr. sker, skier, Eng. sheer, OHD. skeri, Goth. skeirs = blinkend, rein, zuiver, helder.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
schier , schîr , (bijwoord) , [weinig gebruikelijk] vlug, terstond.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
schier , schîr , (bijvoeglijk naamwoord) , netjes, wit; schîre rogge (vrij van onkruid).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
schier , schîr , (bijwoord) , vlug, terstond.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
schier , schier , zuiver, onvermengd; schiere ziede = klare zij; schiere branwien = brandewijn zonder bijvoeging van suiker; schier vet = vet zonder vleezige deelen; hij lust wel schiere botter = hij eet gaarne boter, zonder brood of iets anders. Van goed gezifte aardappelen zegt men: zij bin schier = allen nagenoeg even dik, van grootte gelijksoortig, geen mengelmoes. Een vleeschhouwer te Groningen adverteerde (1870): “droog spek 40 cts, schier spek 35 cts, buikspek 32½ cts de halve kilogr.” Westfaalsch schîr = zuiver, onvermengd; Oostfriesch schîr = onvermengd.
rein, zindelijk, net; schier veur ʼn dag komen = schier in de spullen wezen = behoorlijk gekleed gaan; schier land = bouwland, dat in het najaar, na ʼt ontblooten van de vrucht, weinig onkruid heeft; ʼn schiere maid (Westerwolde) eene knappe meid; trommel en schier = hoewel armoedig, toch zindelijk gekleed; in huis alles op schier hebben = de geheele huishouding netjes op orde hebben; moar even schier wezen = wel niet in lompen maar toch zeer armoedig gekleed. Drentsch schier = net, knap in orde; Overijselsch schier = netjes, knapjes; Oostfriesch schîr = glad, zuiver, schoon, ordelijk; klaar, helder, rein; zindelijk gekleed; Nedersaksisch, Holsteinsch schier = klaar, helder, doorzichtig; Oud-Saksisch, Angel-Saksisch, Oud-Friesch, IJslandsch scir. Oud-Noorsch, Zweedsch skir, Deensch skär, skjär, Noordfriesch sker, skier, Engelsch sheer, Oud-Hoogduitsch skeri, Gothisch skeirs = blinkend, rein, zuiver, helder. Vgl. Schiermonnikoog, zooveel als: eiland der Witte monniken, alsook: schieren.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schier , schier , voor: bijna, ongeveer, haast; men zōl zeggen ʼt kon schier = volgens ons oordeel moet het als mogelijk beschouwd worden. doar is schier gijn ofkomen an; hij het schier zin an dat hoes; wie zōllen schier (of: hoast) noa stad, enz. = wij hebben er over gesproken om naar Groningen te gaan, maar een besluit daaromtrent is niet genomen. Oudtijds schier = spoedig.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schier , schier , (van Halsema); ʼt ingeweide van een beest.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schier , schier , (bijwoord) , Bijkans. Zie de wdbb. || Ik ken ’et skier niet geloven. – Zeer vaak ook in vraagzinnen in de betekenis misschien, soms. Schier heeft dan niet de nadruk. || Wil-je schier alles hebben? Heb ik ’et schier ’edaan? Heb-je ’et schier al ’ehoord? Is dat schier voor mijn? Waar (was) Jan der schier bij? – Ook zegt men: “Ik zou ’et niet doen, schier!” als men twijfelt of iemand het gegeven bevel enz. wel zal opvolgen, en hem wil raden niet in gebreke te blijven; dus zoveel als: “wil-je het niet doen schier”. – Evenzo elders in N.-Holl. (Taalgids 6, 310).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schier , schier , (bijvoeglijk naamwoord) , Grauw. Thans verouderd. Vgl. roodschier en schier III.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schier , schier , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Bij vissers. Zekere soort van aal: beste paling met zwarte rug en helderwitte buik; zogenaamde witte palingen. || We hebben veul schier ’evongen. De helft is schier. – In dezelfde zin in Oost-Friesl. schîrâl (KOOLMAN 3, 127).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schier , schier , zuiver, netjes; daar wordt ’t aordĕch schier van, daar knapt het van op; schierĕ mes, zuivere mest, zonder bijmengsel; ĕn schier maachien, een tenger meisje.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
schier , schier , net, aangebroed (ei); ’n schier määchien: een net, proper meisje; ’n schier äi: een aangebroed ei.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
schier , skear , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , lustig, dartel, begerig
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
schier , skier , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1 knap, netjes, ook van mensen, 2 onvruchtbaar, van ei. t Kan skier lukng, ’t is mooi geweest
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
schier , schier , ’n harde glazige aardappel die niet gaar kookt is. [Lan]; schier eî (o) bevrucht ei ’n vuul schier eî een vuil ei.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
schier , schiêre , m , magere ’ne schiêre een magere man; schieren herring (m) broodmager iemand.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
schier , schier , 1. knap, netjes. 2. hetzelfde als glad 2
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
schier , schiere , ’n schiere, buitenkansje
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
schier , skier , bijvoeglijk naamwoord , Grijs, grauw (verouderd). Het woord komt o.a. nog voor in schieraal. Vgl. Fries skier.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schier , schiêr , Ned. schaar.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
schier , schier , 1. bedorven (ei); 2. er goed uitzien; 3. schier.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
schier , schier , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. net, knap, in orde Hij hef door een kampien schiere rogge staon (Bov), Dat is wal een schier wicht (Hoh), Het is schier weer vandaog (Row), Hij lop er schier bij; dat is wel is aans west (Eex), Hij hef het laand er schier bijliggen zonder onkruid etc. (Eke), Zet dien schiere pet mar op je nette pet (Pdh) 2. zuiver, louter Dei schinke is schier zolt, het is te stark zolten (Bco), Doe mij mor een schiere borrel (Sle), ...een schiere borrel zonder suiker (Hijk), Dat was gien sju, mor schier vet (Eev) 3. totaal, helemaal Hij had er schier genog van (Klv), Hij was er schier met verlegen, met dat wicht (Wijs), Ik was het schier vergèten (Hol) 4. behoorlijk Het is nog wel een schier endtie rieden (Dwi), Dat hej aordig schier schat (Anl), Zij kunt heur schier redden (Wtv), Bij raomen keuj nog wal aordig schier met hum proten (Hijk) 5. bezig, doende Door binnen ze nog wel even schier met (Eel) 6. onbevrucht (Zuidwest-Drenthe) Die eier waren allemaol schier (Hgv), Een schier ei kan flutten (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schier , skier , 1. slank, mooi, gaaf; 2. onbevrucht (van een ei)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schier , schier , 1. netjes, mooi. Dât is ’n schiere keerl. De tuun lig d’r schier bie. 2. schraal. Onder schiere grond verstaot wieluu hoge, ârme zandgrond. 3. schier, vuil (eieren).
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
schier , schier , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. (van eieren) onbevrucht, ook wel: bebroed en daardoor niet meer eetbaar, bebroed maar niet uitgekomen 2. grijsachtig, witachtig grijs, grijswit 3. (van grond) te fijn, zonder samenhang en daarbij onvruchtbaar 3. net, knap, heel acceptabel 5. nogal mager, nogal lang en dun 6. vet (met name van paling) 7. bijna 8. puur, onbedorven, bijv. schier ketoen puur, niet van motieven voorzien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schier , skier , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , netjes, goed. Dät e-j skier edaon.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schier , schier , 1. wild. onbesuisd, haastig; 2. rank en slank; 3. vuil, bedorven (v.e. ei); 4. lichtgrijs (W.-Veluwe); 5. weinig vruchtbaar (O.-Veluwe); 6. netjes.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
schier , schier , bijvoeglijk naamwoord , bedorven, van een ei (Land van Cuijk); schier; glazig, van een aardappel (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
schier , schier , bijvoeglijk naamwoord , schier - schierder - schierst , WBD mager, gezegd van een kalf, ook 'schraol' of 'maoger' - tof, aardig; en schier wèfke - een aardig vrouwtje (jongemannentaal); WNT SCHIER (III) 3) Zindelijk, net, keurig, helder, schoon. In Gron. + Overijs. 7) Niet zwaar, doch ook niet mager, rank, slank. Vooral van een koe (Opgegeven voor de Veluwe en Drenthe (18e eeuw) en Kampen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
schier , schier , bijwoord , WTT - 2013 leuk, gezellig, e.d.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal