elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schieter

schieter , schijter , (schieter); eene plant die wilde loten of ranken schiet, bv. tuinboonen, slaplanten, mangelwortelplanten die in ’t zaad schieten, enz.; mien bijtwortelplanten bin altemoal schijters wor’n, ’t zoad het nijt deugd.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schieter , schijtert , schotter , (schieter) = stuiter; ook eene noot waarmede men naar andere noten werpt of rolt om ze te raken of van de plaats te brengen. Hieruit volgt van zelf dat men daartoe de grootste en rondste uitkiest.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schieter , schietertje , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zeker insect. Suikergast, zilvervisje. Lat. Lepisma saccharina L. (SNELLEN V. VOLLENHOVE, Gelede Dieren 125). || Die kas zit vol schietertjes. Er komt ’en schietertje uit ’et boek. – Ook VAN DALE vermeldt schieter, mot. Evenzo heeft HADR. JUNlUS, Nomencl. 58 b: “Blatta, tinea, B. Motte, schieter” en KIL.: “schieter, schiet-wormken, motte, blatta, linea”.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schieter , schaiters , schieters (bieten die in het jaar van uitzaaien zaad voortbrengen)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
schieter , skieter , zelfstandig naamwoord de , 1. Plant die doorschiet, te snel groeit, zoals sla, kool rabarber, wortelen. 2. Lang, uit zijn krachten gegroeid persoon.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schieter , schieter , zelfstandig naamwoord , iemand die hooi *schiet (KRS: Bunn) Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
schieter , schieter , de , schieters , Var. als bij schieten I = 1. schieterplank Mit de scheiter scheut de bakker de stoete in de oven(Bco), z. ook schussel 2. doorschietende plant Der zatten wel schaiters in de bieten (Eev), Het liekt mit de andievie niet best, daor zit al schieters tussen (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schieter , schieters , knikkers , Nô de geschilderde liime knikkers zén'ner de glaoze schieters vur in de plak gekomme. Na de geverfde lemen knikkers zijn er de glazen knikkers voor in de plaats gekomen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
schieter , schieter , zelfstandig naamwoord , de 1. iemand die schiet (zie schieten, in div. bet.) 2. knikker waarmee men schiet, soms: glazen knikker groter dan de andere, of ijzeren kogeltje 3. schietschop (van een bakker), zei ook scheutel 4. te vroeg uitlopende en zaadvormende plant: in geval van kool, bieten enz.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schieter , schieter , zelfstandig naamwoord , knikker (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
schieter , schieterke , zelfstandig naamwoord , verkleinwoord; WBD handschieter (plankje warmee het deegbrood op de ovenpaal gelegd wordt)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal