elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schijtbos

schijtbos , schijtbossen , graspollen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
schijtbos , schitbósse , gras rondom koeienvla , We moete de koejschitte gôn brèèke, anders is de waoj strak niks és schitbósse. We moeten de koeienvlaaien gaan breken, anders staat de wei straks vol 'schitbossen'
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
schijtbos , schijtbos , sketbos , zelfstandig naamwoord , bos hoog gras op plaatsen waar koeienvlaaien hebben gelegen (West-Brabant); sketbos; bos hoog gras op plaatsen waar koeienvlaaien hebben gelegen (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
schijtbos , schèètbosse , zelfstandig naamwoord , meervoudig gebruikt; WBD schitbossen (bossen van welig opschietend gras in de weide op plaatsen waar koedrek ligt) (Hasseltse term); A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord  mannelijk, 'schitbos' - bos gras in een wei, ontstaan op een koeschit; de koeien laten ze onaangeroerd.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal