elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schijthuis

schijthuis , schiethoes , zie: huuske.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schijthuis , schiethuus , o , schijthuis, w.c. ; bangerik. Wa binde toch ’n schiethuus! Wat ben je toch een bangerik!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
schijthuis , sjitjheusjke , toilet.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
schijthuis , sjitjhusj , bangerik.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
schijthuis , schiethoes , schijthoes , de , Ook schijthoes (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. wc Der mot een neie deure veur het schiethuus (Klv), Hij is zo wies as het schiethoes van Bremen geweldig eigenwijs (Bov) 2. bangerik Die schiethoes lop zo haard, hie kan zien eigen kont wel inhaolen (Eex) 3. trots vrouwspersoon (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Wat een schiethoes van een wief (Sle) 4. achterwerk (Zuidwest-Drenthe) Die hef een paar mooie stelten onder het schijthuus van een meisje met fraaie benen (Mep) 5. (verkl.) klein huisje Ze woont door in zo’n schiethoesien (Sle) *Job zunder kop / Zunder oren / Is in het schiethoes geboren scheldversje op de naam Job (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schijthuis , skijtuus , 1. (plat) w.c.; 2. zie skietliester
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schijthuis , schiithûis , bangerik , Die is al bang van 'n mûis die wèglupt, wa is't toch 'n schiithûis. Ze is al bang van een muis die wegloopt, wat is het toch een bangerik.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
schijthuis , schiethuus , zelfstandig naamwoord , et 1. (vaak ruw) wc, voorheen achter op de stal, achter tegen het huis of achter op het erf 2. bangerik 3. (meestal van een vrouw) eigenwijze persoon
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schijthuis , schèìjthùìjs , w.c.
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
schijthuis , skijtuus , (zelfstandig naamwoord) , 1. (plat) wc. Zie ook: deuze, kakdeuze, usien; 2. zie: skijtliester.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schijthuis , schiethuus , skijthois , zelfstandig naamwoord , toilet, bangerik (Land van Cuijk); skijthois; bangerik (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
schijthuis , [bangerik] , sjiethoes , (onzijdig) , bangerik , Waat bès se toch ei sjiethoes!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
schijthuis , [w.c.] , sjiethuuske , (onzijdig) , toilet, wc , Vreuger gings se boete nao ’t sjiethuuske.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
schijthuis , schèèthèùs , zelfstandig naamwoord , schijthuis, plee, W.C. figuurlijk: bangerik; Wè zèède tòch en schèèthèùs!; Jo van Tilborg - Asser afgedrêûgd moes worre bij et omwaasse, zaat zij aaltij op et schèèthèùs want dan hasse aaltij zô mar ineens hôoge nôod. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007); WBD (III.2.1:112) 'schijthuis', c.q. 'gemak', 'huiske' of 'plee; WBD (III.1.4:138) 'schijthuis' = bangerik; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord onzijdig: schijthuis, bestekamer, plee (gew. in de verkleinvorm) oorspr. inderdaad een apart achter het woonhuis staand huisje. WNT SCHIJTHUIS - 1) afz. gebouwtje ... 2) scheldnaam voor een laf persoon; 3) scheldnaam voor een ontuchtige vrouw
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal