elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schob

schob , [schuur] , schuppe , Tw. een afgezonderde schuur nevens het huis om er in te stoken, hooi in te bergen, enz. Bij de pl. d. is schupp, een aan de schuur aangebouwde hut, waar de dingen voor wind en regen veilig staan. A. S. scypene, winkel. Het is één met schap.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
schob , schop , schob , gebouw, hetwelk doorgaans afzonderlijk bij het woonhuis staat en tot berging van turf en andere brandstoffen dient.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
schob , schupken , een bergplaats, schuurtje.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
schob , schö̀ppe , (vrouwelijk) , schuurtje.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
schob , schop , afdak.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
schob , schop , v , schoppe , schöpke , schuur, schuren, schuurtje; loods, schuur ’t Karschop De karrenloods, -schuur.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
schob , t schopke , schuurtje
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
schob , schop , schöpke , scheur, schurke.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
schob , sjóp , eenvoudig gebouwtje achter het woonhuis dat tot bergplaats van gereedschappen dient, tegen de schuur aangebouwde bergruimte met een schuin dak, maar zonder muren.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
schob , schop , zelfstandig naamwoord , schop, berghok. Een eenvoudig, half-open overdekt schuurtje voor klein hout en eenvoudig landbouwgereedschap.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
schob , schob , (Veenkoloniën), in Dat peerd is ja zo maoger, hai is ja schob over bonk (Twe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schob , schubbe , schobbe , de , schubben , (Zuidwest-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook schobbe (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = plank met de bast er nog aan Daor ligt nog wat schobben, die maj wel hebben veur braandholt (Ruw), Met die schubben hew de aolde schuur wat opknapt (Sle), De loods is met schobben dichtspiekerd (Row), We gebruken de schobbe om een hek te maoken (Een), Schobben bint plaanken, waor de spient en de schelle nog an zit (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schob , schop , schuurtje, afdak, waar het landbouwgereedschap opgeborgen wordt.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
schob , schobbe , (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) soort plank
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schob , schobbm , botten (zelfst. naamw.). Ik haeln ’m de stok aover de schobbm.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
schob , schop , opberghok , In de schop wier alles bewaord, zóó'és de kiepkaor, hógkaor èn't geridschap. In de opberghok werd van alles bewaard, zoals de kip kar, hoog kar en het gereedschap.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
schob , skop , lage schuur
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
schob , schóp , half open schuur
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
schob , schop , skop , zelfstandig naamwoord , schuurtje (Land van Cuijk; Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant); skop; schuurtje (Den Bosch en Meierij; Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
schob , sjop , (mannelijk) , sjoppe , sjöpke , overdekte bergplaats , Eine kerresjop, eine struuesjop, eine houtsjop, eine pannesjop. Zèt ’t getuug mer ónger de sjop.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
schob , schop , schöp , schöpke , berging
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal