elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schobbelen

schobbelen , schobbelen , (skòbbǝlǝ) , (zwak werkwoord, transitief) , Schommelen, in beweging brengen, inz. van water. || Je moete schobbelen, of de bot gaat dood (het water in de visschuit in beweging houden). Gelijck als een modderighe grondt van een weynigh schobbelens des waters ontroert wordt: AIsoo wort oock een veranderlick mensch om een weynigh aenspreeckens verstoort, SCHAAP, Bloemt. 154.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schobbelen , schobbelen , aaien, zacht aanhalen (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
schobbelen , schobbele , werkwoord , schurken (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal