elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: spieker

spieker , spieker , m , schop, spade.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
spieker , spieker , de , spiekers , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, veroud.) = 1. opslagplaats Die oolde spieker bij heur op de hof wörde restaureerd (Pdh) 2. stookhut Ik stun met mien wicht oet Schoonebeek te vrijen in een spieker (Emm), De kookpot en de trogge en de bakoven stunden in de spieker (Scho)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
spieker , spieker , soort schop, het blad van deze schop staat bijna recht onder de steel en wordt voor het uitgraven van allerlei planten en struiken gebruikt
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
spieker , spieker , zelfstandig naamwoord , smalle turfschop (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
spieker , spieker , zelfstandig naamwoord , spade
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal