elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sponde

sponde , spon , (vrouwelijk) , spond, plank. Zoo zegt men karspon, bedspon.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
sponde , sponze , voor: sponde. ‘Als ik op mijn laatste sponze lig‘, vrouwtje, tot mijn Vader bij ʼt wijkbezoek als predikant.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
sponde , spon , zelfstandig naamwoord , verplaatsbare plank (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal