elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sproetel

sproetel , sproetĕls , zomersproeten.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
sproetel , sproetel , (Gunninks woordenlijst van 1908) zie sproete
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
sproetel , sproetels , spreuten, spruten , sproeten.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
sproetel , sproetels , zelfstandig naamwoord, meervoud , sproeten (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal