elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: spurriën

spurriën , [tekeer gaan] , spörrieën , tekeer gaan. (spörriede, gespörried). ’t hètr gespörried, het (onweer) is nogal tekeer gegaan.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
spurriën , spurrieje , werkwoord , kabaal maken (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal