elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: staartschroef

staartschroef , startschroef , zelfstandig naamwoord , stuitbeen (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
staartschroef , stèrtskroef , zelfstandig naamwoord , stuitbeen (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
staartschroef , stèrtschroef , startschroef , zelfstandig naamwoord , "stuit(je), stiet; N. Daamen - Handschrift 1916 – “stertschroef - arpendipendix?""; Lechim – Taante Sjoo zee: ‘De sneuw; Is gin zeege van boove’; Z'is mee d'r tweehonderd pond; Op d're startschroef geschoove. (uit een gedicht in de Tilburgse Koerier; ca. 1975); WBD III.1.1:131 'staartschroef' = stuitbeen; startschroef - staartschroef; namelijk stuitbeen, onderrug; Cees Robben – En toen viel ik op m’n batterij, meneer dokter, en../ En naa denk dek munne/ startschroef heb begerbeleurd. (19700313); Taante Sjoo zeej: «De sneuw/ is gin zeege van boove» / zis meej der tweehonderd pond/ op der startschroef geschoove. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Sneuw in Tilburg‘)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal