elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stade

stade , staai , stade , stade, pas, gemak; bij de lagere standen staat: voor gemak. , Doe het op uwen staai. Ik ga er op staai henen, dat is op gemak, langzaam. Zie mijn 1ste Taaleigen. Doe het op uw’ stade, doeget op uwen staai. Men vindt het in dien zin bij Kiliaan en bij Meijer in deszelfs verouderde woorden omschreven: gelegenheid, bekwaamheid, plaats, leegen tijd; als de stade hebben, ledigen tijd hebben. In de aanteekening van stade en metstade voor langzaam is het bijv.nw. stadig, staâg, zamen getrokken
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
stade , te stoan komen , te pas komen, te stade komen; dat (erfenisje) zel hōm te stoan komen, zooveel als: hij kan dat geld wel gebruiken, hij heeft het noodig. (Staat voor: te sta komen; omdat het volk het woord: sta = stade, niet kent, maakte het er: staan, van.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stade , staoi , bijwoord , langzaam aan. Op z’n staoi gaon. Op z’n dooie gemak lopen.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
stade , staai , zelfstandig naamwoord , gemak (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
stade , staoj , zelfstandig naamwoord , "zie gestaoj; stade, sta; in diverse varianten gebruikt om aan te geven dat men iets rustig, langzaam doet; vaak in een uitdrukking met 'op'; Hij heej nôot hòst; hij doe alles op staoj aon. N. Daamen - Handschrift 1916 – 'staoi - iets op staoi doen (op je gemak)'; ""Naa gaot er mar 'ns op staoi toe zitten,"" zee ze... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Oome Teun op collecte’; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 –26-8-1939); Pierre van Beek – Wie iets ""op staoi"" of ""op z'n elf en dertigst"" doet, haast zich niet… (Tilburgse taalplastiek 15 Nieuwe Tilburgse Courant – maandag 5 juni 1950); Cees Robben – Unne schildpad kuierde luikes... staoi aon (19551119); Cees Robben – We hebben mar nie geavveseert, en alles op staoi-aon gedaon... (19660325); Doede alles mar op staoikes/ zèède ene meens meej wèènig hòst... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Vrugger al zôo‘); Dan krèèg ik van ons Sjaan twee knaake/ allêen vur menen èège kop/ die pruuf ik int kefeej opt huukske/ dan hèèl op staojkes lèkker op. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Kèrmes haawe ‘); Aaw mennekes ziede die stèpke vur stèpke/ op staoikes geniete zabberend op der pèpke. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et vurjaor komt); De Wijs – Op staoi aon doen, nie aaltij afferseere (1965); Z'n Oòme Willem hee nòòit host/ Hij doe alles op staoi... (Gieleke – wsch. ps. van Michel van de Ven (Lechim) – ongedateerd knipsel uit onbekende bron; ca. 1960-1980); Pierre van Beek - op staoj - kalm aan; Pierre van Beek - enen hêelen o’staoje meens - die zijn werk langzaam en kalm doet (TT175); Pierre van Beek - staoj - gestadig; Frans Verbunt - doeget mar op staoj, aanders worret wir oreemes; Dur de straot rejen zeker zes keer per dag waogens meej kolen veur de gasfebriek. Dè ging mar stapvoets, die knollen, dieter vurstonden liepen gestaoi aon. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); WBD III.4.4:325 'op stade' = langzaam; J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - STADE, voor gemak; b.v. Doe het op uw stade. Reeds bij Kiliaen. C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) – STADE (staoj) m - gemak (zie blz. 70); A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - sto.i, zelfstandig naamwoord mannelijk  'stooi' - stade (in de verb. 'op stooi', op m'ne/z'ne stooi, op stooi aan, op stooi eweg, op ene goeie stooi'= op zijn gemak, kalm. WNT XV:407 STADE (I) naast STA en in Z. Nederl. STAAI (.) Op stade, op zijn stade - op zijn gemak, zonder zich te haasten. Z.a. Kil. Staede - Commoditas, vtilitas, opportunitas, locus. De staede hebben - Tempus vacuum habere."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal