elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stekker

stekker , stekker , stikker , de , stekkers , Ook stikker (Zuidoost-Drents veengebied in bet. 2.) = 1. stekker De stekker zat los an het snoer (Bco), Doe de steker der maor in (Dwi) 2. stek om bieten te koppen (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe) Veur bietenkoppen haj eerder een speciaal stikkertien (Nam) 3. steker bij het turfgraven (Zuidoost-Drents zandgebied) Bij het törfgraven broekten ze een stekker en een opschot (Wee), z. ook stikker 4. aardappelboor (Zuidoost-Drents zandgebied)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stekker , stekker , zelfstandig naamwoord , de; stekker
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
stekker , stèkker , zelfstandig naamwoord, meervoud , dorre takken (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal