elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stekkeren

stekkeren , [sprokkelen] , stekkeren , (werkwoord) , sprokkelen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
stekkeren , stekkeren , kwiek doorstappen. Ze stekkert er nog flink over heen.
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
stekkeren , stakere , stekkere , werkwoord , 1. Met een walmende punt branden, bv. een olielamp. 2. Hard, gehaast lopen. Het woord is een afleiding van staak = piek, lange stok.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
stekkeren , stekkere , werkwoord , stekker, stekkerde, gestekkerd , 1. [Nbl] wandelen We liepe te stekkere Ook kuiere 2. snel lopen Hij stekkerde mar deur 3. priksleeën Ook pieksleeje
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
stekkeren , stèkkere , werkwoord , sprokkelen (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal