elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stiepel

stiepel , [druiloor, koppig persoon] , stîpert , (mannelijk) , druiloor, koppige vent.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
stiepel , stiepel , mannelijk , uitneembare paal in het midden van de buitendeur van het achterhuis
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
stiepel , stiepl , zelfstandig naamwoord, mannelijk , stiepls , stieplken , steunplaal van de grote achterdeur
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
stiepel , stiepper , bakstenen voet onder de eikehouten plavuis waarop de stijl rust.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
stiepel , steiperke , randje langs de muur.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
stiepel , stiel , paal in het midden van de grote boerderijdeur, die weggenomen kon worden als bijvoorbeeld een wagen naar binnen moest.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
stiepel , stiepers , halfhoge mannenschoenen (Putten).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
stiepel , stieperke , zelfstandig naamwoord , paaltje (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
stiepel , [stut] , stieper , 1. steun, stut, steunpaal 2. benen, zie ook stiep
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal