elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: suffisant

suffisant , suffiezant , hecht, sterk, inzonderheid van houten meubelen; dei toavel is suffiezant moakt. (v. Dale: suffisant = toereikend, voldoende.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
suffisant , sîfesant , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , Suffisant, hecht, sterk. ʼn Sîfesant hü̂̂s. Dat hü̂̂s zit sîfesant in mekare.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
suffisant , sîfesant , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , Suffisant, hecht, sterk, ʼn Sîfesant hü̂s. Dat hü̂s zit sîfesant in mekare.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
suffisant , suffisaant , bijvoeglijk naamwoord , zelfvoldaan (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
suffisant , suffiesaant , bijvoeglijk naamwoord , "voldoende; N. Daamen - Handschrift 1916 – ""suffisaant - 't is suffisaant -zeer voldoende""; WNT SUFFISANT - 1) voldoende, genoegzaam."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal