elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tack

tack , tèks , zelfstandig naamwoord , schoenspijkertjes. Van het Engels tack. Kleine spijkertjes waarmee het bovenleer aan de schoenzool werd vastgeslagen. De schoenmakers stopten een haffeltje (zie aldaar) in hun mond en pikten er die met hun tang feilloos uit. Beginnelingen pakten wel eens hun lip in plaats van het spijkertje. Ze joekerden dan van de pènt.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
tack , tekse , zelfstandig naamwoord, meervoud , schoenspijkertjes (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal