elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tatolf

tatolf , [sukkel; buik] , taotòlf , Iemand, waar niet veel bij zit. Meer van een man dan van een vrouw gezegd. Ook: buik, ransel. Slaot dat nòg maor in u taotòlf.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
tatolf , toatolf , dom iemand.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
tatolf , taotolf , zelfstandig naamwoord , sufferd (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal