elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tebbes

tebbes , tèbbes , zelfstandig naamwoord , hoofd (Den Bosch en Meierij; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
tebbes , tèbbes , zelfstandig naamwoord , hoofd, kop; Waast oewe knöst onderhaand marrus, get aommol schieffeltjes op oewe tebbus! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990); Henk van Rijen - ene kaole tèbbes - een kaal hoofd; Cees Robben - De vliege breke de been op zo'n kaol tebbes (Prentepraot 24); Bosch tèbbes - hoofd (m.) Houwt oewen tèbbes! Hou je mond!
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal