elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: teil

teil , teel , tijl , (als têl), eenen ondiepen aarden pot, in evenredigheid breed, doch laag.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
teil , teil , (zelfstandig naamwoord) , Lange, uitstekende grashalm (de Wormer). || Wat stane ’er ’en teilen in ’t land. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 105). In Gron. kent men het woord in de zin van pluim van de haver, met de korrels (de hoaver stait in tail, staat in de aar; meestal gebruikt in het meerv. tails, hoavertails, MOLEMA 415 a). – Vgl. Fri. teil, staart (HALBERTSMA 862), Eng. tail, Ohd. zagal, idem, Got. tagl, haar. – Zie teilen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
teil , täile , [tǣlә] , vrouwelijk , täiltien , teil
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
teil , teile , Platte, ronde, houten bak, de gedaante van een schotel hebbende.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
teil , téêl , teil D’n téêl vol laote lope De teil vol water laten lopen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
teil , tal , haverpluim
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
teil , toil , zelfstandig naamwoord de , Lange, uitstekende grashalm. Vgl. Fries teil = staart, Engels tail. Vgl. Boek. onder teil.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
teil , teil , taail , de , (Kop van Drenthe). Ook taail = haver-aar De teil komp tou de haover oet (Een), De haover komp in taail (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
teil , teil , teile, tail, taail , de , teilen , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook teile (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), tail, taail (Kop van Drenthe) = 1. wasteil Een teil is van zink en ovaal van vörm (Sle), Aj wat goed wassen wilt, hier is wal een teil (Hoh) 2. (verkl.) afwasteil Vroeger weurden de koppies in een teiltie op taofel ofwassen (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
teil , tiele , zelfstandig naamwoord , de 1. schaal, aarden schotel, breikom, ook wel teil, tobbe 2. teil, tobbe, wasblik
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
teil , taail , zelfstandig naamwoord , taaile , taailtie , teil, wasteil Bij ôôñs gonge de kinders vrijdagsaeves in de taail Bij ons thuis gingen de kinderen vrijdagsavonds voor een wasbeurt in de teil
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
teil , teltje , teiltje , vruger waste we ôôs eige in ’n teltje = vroeger wasten we onszelf in een teiltje-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
teil , teil , zelfstandig naamwoord , wastobbe (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
teil , teil , de teil ingaan, verliezen; de boot ingaan; as je nie goed speel, ga je toch mooi de teil in!
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal