elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: test

test , test , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie een zegsw. op sop en vgl. proltest. – Ook in platte taal voor: hoofd, kop. Vgl. Fra. tête. || Hij kreeg ’ en stien teuge zen test. Ik gaf ’em ’en klap op zen test. Evenzo te Amsterdam.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
test , täste , vrouwelijk , test
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
test , tàsse , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , tàsn , tàssken , test
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
test , têste , test = aarden bakje in de stoof waarin kooltje vuur
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
test , tes , test , zelfstandig naamwoord , 1. hoofd, kop (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); alleen in de platte bekenis: ‘Ik zal je op je tes geve.’ (KRS: Bunn; LPW: IJss), ‘Ik zal op je tes kome.’ (ik zal je een pak slaag geven) ( KRS: Lang, Coth, Werk; LPW: Lop). (Betekenisloze) uitdrukking: ‘Pet op je tes, kom je er ook bes (= best).’ (KRS: Scha) Zonder verdere connotatie in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 127). 2. (zn) blikken vat (KRS: Lang; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
test , test , teste , de , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe, met rekking in Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook teste (alleen in bet. 1. in Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe; Veenkoloniën met rekking) = 1. (stenen) bakje voor een kooltje vuur in een stoof Ie mut een mooi glad kaoltien in de teste doen (Bro), De smid meuk ook wel een teste (Rui) 2. lichaam Ein een klap veur zien test geven (Pei), ...op zien test... (Ruw) *Janneman hef zien gat verbraand aan een warme teste / Hij hef een dikke blaore an het gat / En dat is niet van het beste (Hav)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
test , teste , 1. test; 2. voorwerp van aardewerk voor de vuurkool in de stoof (Kamperveen); 3. Gunninks woordenlijst van 1908: zie gifte
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
test , teste , test.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
test , teste , vuurpotje in stoof.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
test , tiest , hoofd , Kônnes, knikker of tiest t’is ammel krék 't zélfde, um nog mér nie te praote van kop. Kanis, knikker of tiest het is één pot nat, om nog maar niet te praten van hoofd.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
test , teste , taeste , zelfstandig naamwoord , de; 1. bep. potje met kooltje vuur 2. in een flauwe teste een flauwe vrouw
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
test , teste , (zelfstandig naamwoord) , test (in de stoof).
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
test , test , plat woord voor gezicht , agge nie ophoudt zak oew is vur oew test slaon = als je niet ophoudt sla ik je op je gezicht- en hij kreeg me daor toch ’n paor tikke op z’n test = en hij kreeg me toch een paar meppen op z’n gezicht- vur z’n test slaon = op z’n gezicht slaan- ;
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
test , test , metalen bakje, meestal rond met een metalen oor er aan, waar kolen in werden gedaan en dat daarna in de stoof werd gezet om de voeten te verwarmen;
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
test , tes , test, teste , 1. hoofd; 2. bakje voor het vuur in een stoof.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
test , tèèst , tiest , zelfstandig naamwoord , hoofd (West-Brabant); tiest; groot hoofd (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
test , tèst , tiest , zelfstandig naamwoord , tèsje, tiesje , "kop, hoofd; Enen hoed vuugt nie op oewe tèst. - Een hoed past niet op jouw kop. Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - meej de hoed in de haand ... mar meej de pèt óp oewe test kómder ók best (Si'67) - humoristische aanvulling op het spreekwoord; N. Daamen (handschrift 1916) – ""ik sloeg en tegen z'nen test (hoofd - tête)""; Cees Robben – As dè ons taante Tonia testag-taate-middag komt... (19710604) [Of dat tante Tonia dinsdag na de middag langskomt..]; Cees Robben – Hoeneer komde wir... Beschient ’n testag-taatemiddeg.. (19760423); WBD III.1.1:37 'test' = hoofd; K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster, 1968) - TEST: een aarden vat. In het Lat. 'testa'. WNT TEST (I) 3) bij vergelijking in onbeschaafde taal voor HOOFD; ene rôoje tiest - een rood hoofd (gezegd van iemand die bloost); Cees Robben – Akkum langs z’n tiesje aai (19760102); Cees Robben - ... zittie mee’n hôôg-rôôi tiesje... (19600916); Witt. tiesje; WBD III.1.4:191 'tiestelijk' = vreugdevol; tèsje; verkleinwoord; kolenbakje in een stoof; — verkleinwoord van 'tèst'; WNT TEST I 1) Schotel of kom, gewoonlijk van aardewerk, soms van hout; teil. Het woord is in dezen zin thans vooral in Z.-Nederl. bekend, en wordt er in verschillende streken voor onderscheiden schotels of kommen gebezigd; WNT TEST I 2) Pot of schotel van aardewerk, voor vuur bestemd; thans bepaaldelijk een kleine vierkante, naar onderen smaller toeloopende, pot met één oor, die met een kooltje vuur in een stoof wordt geplaatst. Van Rijen - tèsje zelfstandig naamwoord  - kolenbakje in stoof, testje. K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - TEST: een aarden vat. In het Lat. 'Testa'. Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TEST zelfstandig naamwoord v. -soort v. aarden teiltje met één oor en zonder toot. De test verschilt v.d. teil, die veel grooter is, geen oor heeft, en aan den rand voorzien is van eenen toot. WNT STOOF I-8 a) Toestel om de voeten te warmen en wel oorspronkelijk: meestal houten omhulsel met doorboord bovenvlak, waarin een test met vuur of steen kan worden gezet."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal