elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tets

tets , tets , tetse , touw, waarvan leisels en bindtouwen, voor ’t inhalen van koren, gemaakt worden; ook = zulk een leisel of bindtouw, en zoo: een paardentoom voor dagelijksch gebruik. Vgl. ’t Engelsche to tie = binden, en zie: anturen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tets , tets , v , flinke tik.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
tets , tets , paardeleidsels
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
tets , tet , tets , zelfstandig naamwoord de , Klap, oplawaai.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
tets , tats , zelfstandig naamwoord , de; klap, tik
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tets , tets , bijvoeglijk naamwoord , klef: van brood
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tets , tets , 1. tik op je hoofd, 2. korte spijker met ronde kop om schoenen mee te beslaan (de Duitsers hadden ze onder hun laarzen) , 1. agge nie ophoudt krijde drek ’n tets op oew geziecht = als je niet stopt krijg je dadelijk ’n tik op je gezicht
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
tets , tets , zelfstandig naamwoord , klap (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal