elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tiersen

tiersen , tiersen , (werkwoord) , tergen, kwaad maken, plagen, uitdagen. , Hij tierst hen. Zij hadden hen lang uitgetierst. – In sommige streken zeggen ze tirtsen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
tiersen , tierse , plagen , Ge moet dé hundje wa ôn de kètting li, nie aalté ligge te tierse és'ger néffe komt. Je moet dat hondje wat aan de ketting ligt, niet altijd plagen als je er langs komt.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
tiersen , tierse , werkwoord , met iets pronken om een ander jaloers te maken (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
tiersen , tirse , zwak werkwoord , WBD III.1.4.233 'tirsen' = kwaadmaken; WBD - tirtsen (ook tritsen): verspr. Kempenl. - tirsen: zeldz. Peell.; ook in Tilburg, Bladel en Eersel.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal