elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tijding

tijding , tieîng , tienge , tijding, bericht.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
tijding , tiedên , tijng , (Laurm.) = tijding, meervoud tiedêns.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tijding , tieng , tien, tijding , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , in verkl. tientje. Tijding, bericht. Thans weinig gebruikelijk. Tien wordt reeds opgegeven in Karaktersch. 334; tientje bij VAN GEUNS, Zaandam 410. || ’k Heb guster ’en tientje ’ehad van me zeun. Wie heb ’em dat nuwe tientje an’ebrocht (die zaak aan hem verklapt)? – Zegsw. Gien tieng, goeie tieng, geen bericht, goed bericht (Assendelft). – Elders in N.-Holl. zegt men, volgens Taalgids 2, 122, ting. Bij oudere Holl. schrijvers is tiengs, tijng, ting zeer gewoon. || Een droeve tieng een groote scha: maer noch een grooter quammer na, C. RHIJNENBURGH’S Vreughde-bergh 2, 8. – Vgl. verder OUDEMANS 7, 60; Wdb. op Bredero 392.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
tijding , tieden , (= tijding) voor: boodschap; ʼk heb ʼm tieden henstuurt = ʼk heb hem een boodschap gezonden.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
tijding , gén teng, goei teng , geen bericht, goed bericht.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
tijding , tieden , tijding
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
tijding , tijing , zelfstandig naamwoord , tijding, nieuws. 1. We hèbbe nog gin tijing van ònze Sjèf en hij is al ’n weejk wèg. We hebben nog geen nieuws van onze Sjef. 2. Ge moet gin week wochte meej òns tijing te doen. Je moet geen week wachten met ons iets te laten horen.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
tijding , tieding , tiegen, tieng, tienge, tinge , de , tiedings , Ook tiegen (Zuidwest-Drenthe, zuid), tieng (Zuidwest-Drenthe, noord), tienge (md, wm), tinge (Zuidwest-Drenthe, noord) = bericht Wij hebt er gien tieng, ...tieding van had (Wsv), Daor he’k gien tiegen van ehad (Bro), Hai brocht ons een male tieding (Rod), Der gonk een lopende tiegen bericht van mond tot mond (Rui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tijding , tèèng , tijding, bericht.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
tijding , tiedige , tiejige , (Kampen, Kampereiland) tijding. Ook: tiejige (Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
tijding , tieg , tijding. Ik zal oe intieds tieg doen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
tijding , tiedinge , tieding, tiedige, tiediging , zelfstandig naamwoord , de; tijding, bericht (vaak door mondelinge mededeling, over iemands dood of over een voorgenomen huwelijk)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tijding , teng , bericht
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
tijding , têng , nieuws, tijding, bericht , Dè’s kôj têng. Dat is slecht nieuws.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
tijding , tieng , tijding, bericht.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
tijding , tééng , teng , zelfstandig naamwoord , bericht (Helmond en Peelland); teng; bericht (Den Bosch en Meierij; West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
tijding , tijing , bijwoord, bijvoeglijk naamwoord , tijding, bericht; WBD III.3.1:254 'tijding' - bericht; Jan Naaijkens - Dès Biks – (1992) - tijing zelfstandig naamwoord  - tijding, nieuws; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TENG, samentr. van 'Tijding'; ook 'Tijn' en 'Tîjng'; J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TIJDING. Tijding doen voor tijding geven, bescheid doen, antwoord geven. Ten platten lande zegt men 'ting doen'. Somtijds wordt het gebruikt voor eenvoudig 'kennis geven'. K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - TIJNG - tijding, boodschap. Bij Kiliaen -  noch bij Plant. Z.a. A.P. de Bont – Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; zelfstandig naamwoord vr. 'tijing' - tijding; Bosch teng - tijding, bericht
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal