elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: toemaat

toemaat , toemaat , toemet , toemet uitgesproken wordende, is hier hetgeen men ook het nagras, nahooi of het hooi van de tweede snede noemt. Dat de oude Brabantsche landtaal hier
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
toemaat , toemet , zelfstandig naamwoord , tweede grasoogst in de nazomer.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
toemaat , toement , najaarsgras , De lèste sneej groes die'se maojde dé noemde ze d’n toement, nouw hur'de dé nie mér. De laatste snede gras die ze maaiden dat noemden ze najaarsgras, nu hoor je dat niet meer.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
toemaat , toemut , toemaat
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
toemaat , toement , zelfstandig naamwoord , laatste oogst hooigras (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
toemaat , toemet , toemaot , zelfstandig naamwoord , "tweede grasoogst in de nazomer; meevaller, extraatje; Henk van Rijen - 'toemaot, toemèt'; MP gez. Van de toemaot nòr de haaj lôope. Pierre van Beek - (Tilburgse Taaklplastiek 178) Een belangstellend lezer vestigt de aandacht op een originele verklaringsmogelijkheid van de herkomst van ons ""toemet"" dat men ook wel als ""toemert"" ontmoet. TOEMET zou afkomstig zijn van het Latijnse ww augmentare / augere, dat vermeerderen, vergroten betekent. We ontmoeten dit woord ook in andere Latijnse of Romaanse talen, zoals in het Italiaans en in het Frans, in welke laatste taal het ""augmenter"" luidt. Het Frans voor 'aanwas’ is o.a. ""augment""; met het lidwoord ervoor spreken we uit: ""t’oment"", wat dan uiteindelijk 'toemet ' geworden zou kunnen zijn. Wat ver gezocht?; WBD III.4.2:30 'toemaat' - kleinste dier van een nest; ook: 'achterblijver'; A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - toemaat, tommet - nagras; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TOEMAAT (ook toemmat, tommet, toemmert, tommert) zelfstandig naamwoord m. - nagras, nahooi; K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - EIMET, nagras, toemaat (op sommige plaatsen 'toemaat' uitgesproken). Verhoeven - Toemaat (toemut of toemunt), tweede oogst (zie blz. 58); J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TOEMAAT is hier bij de landlieden hetgeen men ook het nagroen, het nagras of het hooi van de tweede snede noemt. Kiliaen - 'toe-maet-hoij’. Z.a. De A.P. de Bont – Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - tument - toement, toemaat, nagras (z.a., blz. 676); WNT XVII I, kol. 559; A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - toemet: T zuiden? (blz. 168); Jan Naaijkens - Dès Biks – (1992) - toemnet zelfstandig naamwoord - tweede grasoogst in de nazomer; Etym. Het element ‘met’ is verwant met maat, mate, meadow, en afgeleid van het ww. maaien."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal