elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: travalje

travalje , travalje , vgl. halje-travalje.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
travalje , travállie , travalje , zelfstandig naamwoord de , Travalje, hoefstal, noodstal waarin de hoefsmid het paard vastzette dat hij wilde beslaan. Variant travalje, in zegswijze halje travalje, hals over kop (verouderd). Uit Frans travail.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
travalje , travallie , zelfstandig naamwoord , travalje, hoefstal. Elke dorpssmid had een travallie waarin de paarden werden beslagen. In Hilvarenbeek stond er een op de Vrijthof voor de smederij van Verhoeven. Die verdween toen in het pand de Amrobank gevestigd werd. Ook hier schreed de beschaving voort. Het woord komt van het Franse travail, werk.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
travalje , tromvalie , zelfstandig naamwoord , tromvalieje , tromvalietjie , [Fra, travail] travalje, noodhoefstal (waarin paarden worden beslagen met nieuwe hoefijzers)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
travalje , travallie , zelfstandig naamwoord , hoefstal (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal