elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: treeft

treeft , treeft , beweegbare drievoet zooals men dien op onze tjalken, enz. aantreft. (v. Dale: treeft, ijzeren drievoet, keukengereedschap.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
treeft , treeft , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , zie een zegsw. op druif.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
treeft , treeft* , bij v. Dale = ijzeren drievoet.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
treeft , trefie , treeftje, onderzetten; een roostertje om het warme eten op te zetten
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
treeft , treef , treeft , zelfstandig naamwoord de , Treeft, rooster of onderzettertje op drie pootjes. Uit Frans trépied. Verkleinvorm treefie.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
treeft , treef , treve , de , treven , Ook treve (Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniën), vaak verkl. = treeft, rooster Met het erpelkoken dut mien vrouw een treefien in de pan (Sle), Een treefien veur de thee te zeven (Die), Een treefie is een onderzetter (Row), Een treefie under de pannen op taofel (Hav), Een treefie op het gas onder een panne (Zdw), Grietien batste het striekiezer op het treefien (kk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
treeft , treefje , roostertje als onderzetter voor hete pannen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
treeft , trefien , treef , zelfstandig naamwoord , et; treeft
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
treeft , treef , zelfstandig naamwoord , treeve , treefie , treeft, rooster van gietijzer of gevlochten ijzerdraad Oppet oliestel lag een treefie Op het petroleumstel lag een treeftje
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
treeft , treefke , onderzetter
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
treeft , trefien , (zelfstandig naamwoord) , onderzetter, treefje.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
treeft , treef , treeft , 1. rooster (boven een vuur); 2. het driehoekig plaatje aan de haal(ketting), waarop een pan gezet kon worden.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
treeft , treef , zelfstandig naamwoord , taartenrooster (Tilburg en Midden-Brabant; Den Bosch en Meierij); trifje; verkleinwoord; taartenrooster (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
treeft , trifke , zelfstandig naamwoord , verkleinwoord; treefje; WBD III.2.1:l76 'treefje' = taartenroostertje
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal