elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: trip

trip , trippen , meideklompen met houten zolen en overleer over de tonen. I proat as en trippe doar ’t lêr af is, gij spreekt als een’ zottin. Zie Kil. Het beteekent ook eene jufvrouw klosklos, heks, grimmig wijf. Gierege trippe, gierige heks.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
trip , trippen , Werkmuilen, halve klompen, bestaande uit een houten zool, met eenigzins verheven hak of hiel en een zwart lederen toonstuk met kleine spijkertjes daaraan bevestigd. Dit woord wordt ook in Overijsel gehoord; om Zwolle noemt men ze ook nog, meen ik, onder de boerinnen, hölsies en bij Rotgans vind ik er hoolblok voor, ter plaatse waar de dichter ons een stoet boerenmeisjes beschrijft, die kermis gaan houden, als: ‘Apollo had zich moede in Thetis arm gekust / En sloop ten zeebedde uit, en stoorde myne rust, / Wanneer ik langs den weg, beplant met groene boomen, / Een veldgerucht vernam, en zag in ’t naderkomen / De landjeugd hand aan hand spansseeren, opgetooid / Met witte huiven, net gestreken en geplooid. / De haarnaald stak in ’t hoofd, de keten van koralen / Blonk om den rossen hals, om met meer zwier te praalen. / De zilvre sleutelreeks, en beugeltas, daar by / Gehangen, klonk in ’t gaan, en wapperde aan haar zy. / Het blauwe keurslijf droeg ’t lievrei van haare kaaken, / Beneden gloeide een rok, gesneên uit rood scharlaken, / Die mooglyk in een jaar geen zon- of maanlicht zag, / Maar, tot dit feest gespaard, zoo lang vergeeten lag / In Grietje Goris kist. de hoolblok was versmeeten, / En halfgesleeten klomp, voor muiltjes, net gemeeten. / De witte handschoen dekt den purpren arm, half gaar / Gebraden door de zon, geschilderd jaar op jaar. / Zoo zag ik langs den weg de boeremeisjes treeden.’ (Boerekermis, editie 1776, blz. 6 en 7.) Kiliaan heeft trip en holblock, alsmede plattijn, en zet een en ander over door calo, hetwelk het Nov. Dict. tetraglotton, 1714, weêrgeeft door: ‘holblocke, plattijn, houten schoen.’ Zie voorts van Hasselts aant. op hol-block, waar hij zegt: ‘Hollandi nunc dicunt holdsblok ab hold, houd; nobis est klomp.’ In eene aant. op keye, worden voorts eenige versregels door hem aangehaald, waarin voorkomt: ‘En dansen om ’t graf met trippen ende klompen.’ Trip heeft in Drenthe de beteekenis van: ‘houten klomp,’ en van: ‘voetplankje der veenarbeiders,’ volgens den Heer Pan in Dr. de Jagers Archief, I. 354 en komt van trippen, trappen. Platine wordt door den Heer van Eck vermeld, als tot het taaleigen der boeren van het kanton Axel (Zeeland) behoorende, zie het zelfde werk, II. 180 en Hoeufft, Bred. T. E. heeft platijnen, zie aldaar en Bilderdijk Geslachtlijst op holsblok. Trip (ook trijp) komt bij de Ouden ook voor als scheldwoord, bij van Effen, (Holl. Spectator, Vertoog 86) vind ik manke trip, bij Cats (editie Witsen Geysbeek, I. 8) loose trip enz. enz. Vergelijk voorts Prof. de Vries, P. C. Hoofts Warenar, blz. 107.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
trip , trippen , de voetplankjes der veenarbeiders om het veen dicht te trappen. Ook = muilen, en: eene soort van sierlijke klompen. Zuid-Limburgsch triepe = houten zolen met een riempje op de wreef; Oostfriesch trippe, trip = houten muil (Groningsch slopklōmp = holsk); Kil. trippe, Saks. Fris. Sic. = houten schoeisel, Wangeroog, Middel-Nederduitsch, Middelvlaamsch trip. (v. Dale: trip, eene soort van vrouwenklomp.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
trip , trippen , Vrouwen klompen, van boven geen hout, maar een lederen overtrekzel hebbende; deze worden hier holtsen geheten. Ook te vinden bij Kiliaan.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
trip , trippe , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , tripn , tripken , leren muil met houten zool
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
trip , trippen , 1. plankjes onder de voeten. 2. soort schoen van het paard. 3. licht soort klompen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
trip , trippe , meervoud , sandaalachtig voetbekleedsel, bestaande uit een houten zool en enkele riempjes over de voet, zoals de zusters Franciscanessen die dragen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
trip , trip , (Zuidwest-Drenthe, zuid), in Ze is altied op de trip op pad (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
trip , trip , trippe , de , trippen , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook trippe (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = 1. houten plankje onder de klomp, inz. van een droogmaker In het veen hef e trippen under de klompen, aans zakt e vort (Eex), Wij kunt er net mit de trippen over (Pes), Baggeltrappen begunde as de modder stief genog was um der mit trippen over te lopen (Bov), z. ook domper, trapper 2. houten plaat of ring van stro onder paardevoeten tegen het wegzakken in veenachtige grond Holten trippen, die ze hier vrogger het peerd andeden as ze op nat land an het bouwen gungen (Pdh), Bie os was eine, dei een peerd had, man dei was niks weerd, want dei kun gien trippen onder hebben (Bco), z. ook bij strotrip 3. lage klomp met leertje over de wreef Een trippe is een holten klompe mit een lèren baand (Dwi), z. ook tripklomp
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
trip , trip , zelfstandig naamwoord , de 1. trip, reisje 2. trip bij druggebruikers
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
trip , trippe , trip , zelfstandig naamwoord , de 1. plankje onder de voet van een turftrapper 2. id. onder de voet van een paard (tegen het wegzakken)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
trip , trippien , (zelfstandig naamwoord) , leertje op lage klomp. Zie ook: leertien.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
trip , trip , tripklomp, tripklompe , klomp met een leertje eroverheen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
trip , trip , zelfstandig naamwoord , kwezel (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal