elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: trippelen

trippelen , trippeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. trippelen De moezen trippelt over de zolder (Bei) 2. trappelende bewegingen maken Het pèerd trippelt (Sle), Die koe stiet altied te trippeln (Hol), Wat staoj daor te trippeln. Moej pissen? (Ruw) 3. spel (Zuidoost-Drents zandgebied) Bij schoel deden wij een spellegien, dat wij trippeln nuumden Twee pakten elkaar bij de handen en leunden dan achterover en draaiden heel snel in het rond. De voeten bleven op de zelfde plaats (Zwin)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
trippelen , trippelen , trippen , werkwoord , 1. trippelend lopen 2. licht trappelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
trippelen , treepele , werkwoord , ijsberen, dribbelen (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
trippelen , drippele , dripsele , zwak werkwoord , trippelen; Zooas ik dan zee, ze kwaam op me afgedrippeld mee d'r bodschappenbenneke onder d'ren errem. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 7; 30-11-1929); WBD III.1.2:17 'dripselen' = heen en weer draaien; ook: trippelen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal