elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: trul

trul , [schijf] , trul , trel , een schijfachtige bol.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
trul , trul , (zelfstandig naamwoord) , Zeker gebak. Hetz. als vlaggeknop; zie aldaar. – Evenzo te Monnickendam.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
trul , trulle , de , (Zuidwest-Drenthe, noord) = dom meisje Wat een stutte, ...trulle (Wap)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
trul , trul , zelfstandig naamwoord , mond (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
trul , trul , zelfstandig naamwoord , trulleke , "R lodderige mond (met dikke, slappe lippen), openstaand; gez. Henk van Rijen - Hul oover trul - hals over kop; WBD III.1.1:100 'open trul' mond (spotnaam); Bosch trul - mond; WNT TRUL (II) - 6) benaming voor een kind: a) dik kind; b) troetelnaam voor een kind, troel; trulleke - verkleinwoord; kindje, tongetje; N. Daamen - Handschrift 1916 – ""trulleke - 'n klein kindeke, ook zegt men wel 'steekt oe trulleke eens uit’ (tongetje)""; WBD III.1.1:100 'trulleke' = mond (spotnaam); Hees trulleke (V:60); WNT TRUL (II) - 6) benaming voor een kind; a) dik kind; b) troetelnaam voor een kind, troel"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal