elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: trullen

trullen , trullen , (werkwoord) , met een’ bol of rel langzaam of zacht over den grond werpen, een’ bol of schijf voortrollen. , Uw bol trult ver. Ook wordt trullen5 voor rollen van bezielde wezens gebruikt, bijv. die jongen rolde als een knikker.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
trullen , trule , omtrule , werkwoord , 1. omvallen (KRS: Coth; LPW: Lop, Pols) In de betekenis ‘rollen (voor trulen ), omvallen (voor omtrulen )’ ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns p. 151 en p. 155). Berns schrijft t.a.p.: ‘Deze woorden komen in de dialectliteratuur van Zuid-Holland niet voor. Gelukkig brengt het WNT uitkomst. Daar vinden we onder trullen ook de vorm trulen en vervolgens truilen , met de betekenis ‘tuimelen, vallen’ en speciaal voor de betekenis ‘rollen’ als bron de Sliedrechtse woordenlijst van 1874. De herkomst van het woord is onduidelijk.’ 2. (ww) omdraaien (KRS: Coth; LPW: Bens, Lop, Cab); ‘Truult ’m es om.’ (Coth), ‘het omtrulen van pakken hooi’ (Bens) 3. (ww) rollen (LPW: IJss, Bens, Lop, Cab, Pols); ‘een tapijt omtrule’ (IJss) Als trulen , ‘laten rollen’, bekend in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 105). Van Dale (1992, p. 3177) kent trullen met ondere andere als betekenis ‘rollende verplaatsen’, en als synoniem ‘rollen’.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
trullen , drùllen , rollen. hij drùlt van d’n Bloten kont af, hij rolt van de Blote kont af. (een van de Bedafse Bergen).
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
trullen , trulle , rollen , Ge moet die bolle nie zó hard góóje, ge moet'zer zachjes teegenôn laote trulle. Je moet die ballen niet zo hard gooien, je moet ze er zachtjes tegenaan laten rollen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
trullen , trulde , op je gemak gaan, langzaam
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
trullen , drölle , trulle , werkwoord , rollen (Den Bosch en Meierij; Land van Cuijk); trulle; langzaam rollen (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
trullen , drèùle , zwak werkwoord , trullen; WBD (III.3.2:102) drèùle - trullen: knikkers laten rollen; ook 'stuiteren' genoemd; WBD III.1.4:82 'druiloor' = persoon met een lastig karakter; WBD III.1.4:161 'druiloor' = leegloper; WBD III.4.4:47 'druilweer', 'druilerig weer' = nat weer; WBD III.4.4:66 'druilen' = lichtjes regenen; WBD III.4.4:102 'druilregen' = natte sneeuw
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal