elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tuffen

tuffen , tuffen , (werkwoord) , spuwen, ook spouwen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
tuffen , tüffen , (zwak werkwoord) , kuchend spuwen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
tuffen , tuffen , spuwen (speeksel verwijderen). - Iemand op zijn vestje tuffen, hem de waarheid zeggen; hem beschaamd zetten. - Domenee hepem lillik op zen vessie getuf!
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
tuffen , tuffe , spugen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
tuffen , tuffe , zie spierse.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
tuffen , tuffe , werkwoord , spuwen (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) ‘Ik tuf je je moel (muil) dicht!’ (Coth), ‘Ik tuf je ogen dicht!’ (Coth) Het woord komt in grote delen van Nederland voor. In het Zonnehuis Stenia te Zeist, een heilpedagogische instelling, wordt het woord gebruikt ter vervanging van het kennelijk als te ruw ervaren spuwen of spugen (eigen waarneming). De RND geeft bij Wijk bij Duurstede voor tuffe de betekenis ‘speeksel verwijderen’ (R.N.D. 10, 1966) Tuffe is waarschijnlijk een onomatopee (klanknabootsend woord)
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
tuffen , tuffen , tufkern , zwak werkwoord, onovergankelijk , Ook tufkern (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën) = tuffen Zij tufkert er mooi met zien beiden langs op de brommer (Pdh), Daor tuft een schip deur de brogge (Uff), Hij tufkert er mal over rijdt hard (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tuffen , tuffen , spuwen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
tuffen , tuffe , spugen , Zit'te gi daor te tuffe, tuffe dé's nie netjes hur'de dé, ik wul dé nójt mér zien. Zit je daar te spugen, spugen dat is niet netjes hoor je dat, ik wil dat nooit meer zien.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
tuffen , tuffen , werkwoord , tuffen: zich per auto of motor begeven (naar)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tuffen , tufte , spuugden
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
tuffen , tuffe , spugen , tuf t’um = spuug naar hem- vuile vûllik, stao nie zo te tuffe = vuilak, spuug niet zo- assie pijp rwokt dan tuftie aon jin stuk dur = als hij pijp rookt dan spuugt hij aan één stuk door- nor iemand tuffe is ’t mienste watter is = naar iemand spugen is heel min/laag-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
tuffen , tuffe , werkwoord , spugen (Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland; West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal